ECLI:NL:HR:2003:AK3485

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38174
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 3 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 29 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over vaste inrichting en naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende kreeg voor het tijdvak 1992-1996 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, inclusief een verhoging, welke door de Inspecteur deels werd kwijtgescholden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof te 's-Hertogenbosch. Dit Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en stelde deze aanzienlijk lager vast zonder verhoging.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende beschikte over een vaste inrichting in Nederland, wat bepalend is voor de heffing van omzetbelasting bij niet-ingezetenen. Het Hof had geoordeeld dat sprake was van een vaste inrichting, mede op basis van het niet volledig verstrekken van informatie door belanghebbende en toepassing van de processuele sanctie uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte de processuele sanctie toepaste omdat de gevraagde informatie niet direct betrekking had op het bestaan van een vaste inrichting. Zonder deze sanctie was onvoldoende bewijs voor het bestaan van een vaste inrichting. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 38.174
12 september 2003
S
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Canada) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Hertogenbosch van 4 maart 2002, nr. 99/01024, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1992 tot en met 1996 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 950.000 aan enkelvoudige belasting met een verhoging van de nageheven belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijftig percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 200.000 aan enkelvoudige belasting zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt in de eerste plaats met motiveringsklachten op tegen 's Hofs oordeel dat aannemelijk is dat onder de naam H slechts één onderneming werd gedreven, evenwel tevergeefs. Dit oordeel berust op de aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden. Van de daarbij door het Hof in aanmerking genomen, door het Hof in rechtsoverweging 4.1 onder a tot en met e opgesomde feiten en omstandigheden, heeft het Hof vermeld dat zij door de Inspecteur zijn gesteld en niet of althans onvoldoende zijn weersproken. Tot een nadere uiteenzetting hoe het tot de vaststelling van die feiten en omstandigheden is gekomen, was het Hof niet gehouden. Het bestreden oordeel van het Hof is ook geenszins onbegrijpelijk. Het Hof behoefde zich van dit oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat ter zake van hetzelfde feitencomplex ook aan een andere persoon een aanslag zou zijn opgelegd.
3.2. Het middel komt voorts met motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur terecht ervan is uitgegaan dat belanghebbende over een vaste inrichting hier te lande beschikte.
3.3. Bij de beoordeling van dit middel wordt vooropgesteld dat, nu belanghebbende niet in Nederland woont, in verband met het bepaalde in artikel 12, lid 3, (tot en met 1992 lid 2) van de Wet op de omzetbelasting 1968 heffing van omzetbelasting ter zake van door hem verrichte leveringen slechts aan de orde kan komen indien hij destijds in Nederland beschikte over een vaste inrichting. Daarvoor is vereist dat sprake is van een met een zekere duurzaamheid geëxploiteerde bedrijfsinrichting van waaruit de levering van de goederen werd verricht.
3.4. Het Hof heeft zijn bestreden oordeel gegrond op de overweging dat het vermoeden is gerechtvaardigd dat belanghebbende in het onderhavige jaar beschikte over een vaste inrichting hier te lande, dat belanghebbende in verband met de processuele sanctie van artikel 29, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het tegendeel diende te doen blijken, en dat hij daarin niet is geslaagd.
3.5. Nu belanghebbende met behulp van diensten van K in Nederland zakelijke activiteiten ontwikkelde en bankrekeningen aanhield, kon de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat in verband met eventuele belastingplicht van belanghebbende deze desgevraagd gegevens en inlichtingen diende te verstrekken. De door de Inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen betroffen echter slechts de - voor de inkomstenbelasting van belang zijnde - rechtsverhouding tussen belanghebbende en K en waren in genen dele erop gericht opheldering te verkrijgen over het al dan niet aanwezig zijn van een vaste inrichting. Het Hof is daarom ten onrechte op grond van de omstandigheid dat belanghebbende de gevraagde informatie niet volledig heeft verstrekt, met toepassing van de processuele sanctie van artikel 29, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ervan uitgegaan dat belanghebbende over een vaste inrichting hier te lande beschikte en dat belanghebbende het tegendeel moest doen blijken. Het Hof heeft derhalve ten onrechte zijn bewijsoordeel mede doen steunen op voormelde processuele sanctie.
3.6. Zonder toepassing van die sanctie is niet begrijpelijk dat het Hof de Inspecteur geslaagd heeft geacht in zijn bewijs. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, rechtvaardigen immers de in 's Hofs uitspraak onder 2.5 tot en met 2.15 vastgestelde feiten en omstandigheden niet een vermoeden - ook niet, zoals het Hof het heeft geformuleerd, een "niet zeer sterk vermoeden" - dat belanghebbende beschikte over een vaste inrichting hier te lande, nu deze feiten op het al dan niet bestaan van een duurzame bedrijfsinrichting van waaruit de leveringen werden verricht, geen enkel licht werpen.
3.7. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de
kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 165, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2003.