ECLI:NL:HR:2003:AK3574
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering niet automatisch bij niet-tijdige kennisgeving
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Het hof had de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat niet aannemelijk was geworden dat de betrokkene tijdig op de hoogte was gesteld van het voornemen tot ontnemingsvordering, zoals vereist in artikel 311, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad heeft overwogen dat artikel 311 Sv Pro bedoeld is als waarborg voor de belangen van de verdachte en dat het uiterste moment aangeeft waarop de officier van justitie zijn voornemen kenbaar moet maken. Echter, de wetgever heeft niet bepaald dat schending van deze verplichting automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad stelt dat de rechter bij het ontbreken van tijdige kennisgeving moet beoordelen in hoeverre de betrokkene in zijn belangen is geschaad en op basis daarvan kan beslissen over niet-ontvankelijkheid of een andere sanctie, zoals een vermindering van de betalingsverplichting. De bestreden uitspraak van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting waarbij het niet tijdig bekendmaken van het voornemen tot ontnemingsvordering niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid.