ECLI:NL:HR:2003:AL2116
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premie-inkomen bij arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en autokostenbijtelling
Belanghebbende, directeur en aanmerkelijkbelanghouder van een besloten vennootschap, kreeg voor 1998 een aanslag opgelegd in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) gebaseerd op een premie-inkomen van ƒ 71.044. De BV stelde een personenauto ter beschikking, waarvan belanghebbende 20% van de cataloguswaarde forfaitair bijtelde als autokosten in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het beroep ongegrond verklaard. De Hoge Raad bevestigt dat ook voor aanmerkelijkbelanghouders het premie-inkomen moet worden vastgesteld op basis van het zuivere arbeidsinkomen, inclusief de forfaitaire autokostenbijtelling volgens artikel 42 lid 3 Wet Pro IB 1964. Het argument dat het voordeel van privégebruik van de auto niet moet worden meegeteld faalt.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens omdat de positie van aanmerkelijkbelanghouders niet gelijkgesteld kan worden aan die van gewone werknemers. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de forfaitaire autokostenbijtelling moet worden meegerekend bij het premie-inkomen van aanmerkelijkbelanghouders voor de WAZ.