ECLI:NL:HR:2003:AL2119

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38585
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 6 AWRArt. 27e AWRArt. 47 lid 1 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing sancties bij niet-verstrekken van inlichtingen in bezwaarfase vennootschapsbelasting

Belanghebbende, X B.V., kreeg voor het jaar 1996 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ƒ 620.990. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot een belastbaar bedrag van ƒ 575.671.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. Het centrale geschil betrof de vraag of het niet verstrekken van inlichtingen die zijn gevraagd ten behoeve van de beslissing op bezwaar, kan leiden tot sancties zoals bedoeld in de artikelen 25, lid 6, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

De Hoge Raad oordeelde dat ook tijdens de bezwaarfase de inspecteur gerechtigd is gebruik te maken van de mogelijkheden van artikel 47, lid 1, AWR, omdat de gevraagde inlichtingen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De sancties verbonden aan het niet voldoen aan deze verplichtingen kunnen derhalve ook na oplegging van de aanslag en tijdens de bezwaarfase worden toegepast. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat sancties voor het niet verstrekken van inlichtingen ook tijdens de bezwaarfase kunnen worden toegepast.

Uitspraak

Nr. 38.585
26 september 2003
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 juni 2002, nr. P01/01650, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 620.990, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 575.671.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het middel berust op de opvatting dat het niet-verstrekken van inlichtingen die zijn gevraagd ten behoeve van de beslissing op het bezwaar tegen een aanslag, niet kan leiden tot de sancties bedoeld in de artikelen 25, lid 6, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
Het middel faalt. Ook tijdens de bezwaarfase is de inspecteur gerechtigd gebruik te maken van de mogelijkheden die artikel 47, lid 1, AWR hem biedt, aangezien ook van inlichtingen die worden gevraagd met het oog op de beslissing op een bezwaar tegen een aanslag, geldt dat zij van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De wet heeft de in het middel genoemde sancties verbonden aan het niet volledig voldoen aan de verplichtingen ingevolge laatstgenoemd artikel. Die sancties kunnen derhalve ook in de bezwaarfase, nadat de aanslag is opgelegd, worden toegepast (vgl. HR 10 februari 1988, nr. 23925, BNB 1988/160).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2003.