ECLI:NL:HR:2003:AM3130

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38901
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 letter a Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringenArt. 24 lid 1 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-overdraagbaarheid van S&O-verklaring bij fusie

In deze zaak heeft X B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, waarin het beroep van X B.V. tegen een besluit van de Minister van Economische Zaken werd afgewezen. De Minister had geweigerd om de tenaamstelling van een S&O-verklaring te wijzigen van A B.V. naar X B.V., ondanks dat laatstgenoemde vennootschap was gefuseerd met A B.V.

Het geschil betrof de vraag of de S&O-verklaring, bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, overdraagbaar is bij een fusie onder algemene titel. Het College oordeelde dat de Wet een materiële toets voorschrijft en dat de verklaring niet overdraagbaar is, waardoor wijziging van de tenaamstelling niet mogelijk is.

De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'inhoudingsplichtige' in artikel 1, lid 1, letter a, van de Wet niet zodanig kan worden uitgelegd dat de gefuseerde vennootschap automatisch gelijkgesteld wordt met het nieuwe lichaam voor de S&O-verklaring. De Hoge Raad bevestigde dat toetsing op dit punt in cassatie niet is toegestaan en verklaarde het beroep ongegrond.

Er werden geen proceskosten aan de zijde van de wederpartij toegewezen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 24 oktober 2003.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt ongegrond verklaard en de weigering tot wijziging van de tenaamstelling van de S&O-verklaring blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 38.901
24 oktober 2002
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 oktober 2002, nr. AWB 01/736, betreffende na te melden besluit van de Minister van Economische Zaken.
1. Besluit, bezwaar en geding voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Bij besluit van 7 april 2001 heeft de Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van belanghebbende om wijziging van de tenaamstelling van een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wet) afgewezen.
De Minister heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij beslissing van 2 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College). Het College heeft bij zijn in hoofde van dit arrest vermelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1 Voor het College was in geschil of de Minister van Economische zaken mocht weigeren de verklaring als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet (hierna: de S&O-verklaring) aldus te wijzigen dat de tenaamstelling van die verklaring niet langer A B.V. zou vermelden, maar X B.V. (belanghebbende), met welke laatste vennootschap A-B.V. inmiddels juridisch was gefuseerd.
Het College heeft het beroep ongegrond verklaard. Het heeft daartoe overwogen - zakelijk weergegeven - dat de Wet een materiële toets voorschrijft voor de beoordeling of een S&O-verklaring kan worden afgegeven, en dat zulks meebrengt dat de verklaring niet overdraagbaar is, ook niet bij een overgang onder algemene titel en dat een wijziging van de tenaamstelling daarom ook niet gevergd kan worden.
3.2 De klachten voeren aan dat het begrip inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 1, lid 1, letter a, van de Wet zodanig moet worden geïnterpreteerd dat de gefuseerde vennootschap die de S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet heeft ontvangen, door de werking van de fusie gelijkgesteld moet worden met het nieuwe lichaam.
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De bestreden beslissing geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van het begrip "inhoudingsplichtige" in artikel 1, lid 1, letter a, van de Wet. Voorzover de klachten inhouden dat het College ten onrechte heeft geoordeeld dat de fusie niet meebracht dat de S&O-verklaring op naam van belanghebbende diende te worden gesteld, zien zij eraan voorbij dat de Wet een toetsing in cassatie op dit punt niet toelaat.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2003.