ECLI:NL:HR:2003:AN7744

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38420
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 letter b Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 3 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeerArt. 26 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vrijstelling overdrachtsbelasting wegens niet-bloedverwantschap

Belanghebbende heeft een bedrag van ƒ 51.945 aan overdrachtsbelasting voldaan bij de verkrijging van een onroerende zaak. Hij maakte bezwaar tegen deze belasting en verzocht om teruggaaf, maar dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen. Vervolgens kwam belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de afwijzing bevestigde.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de weigering onterecht was, onder meer omdat de wettelijke vrijstellingsbepaling in strijd zou zijn met internationale verdragsregels. De Hoge Raad oordeelde echter dat belanghebbende geen recht heeft op de vrijstelling omdat hij niet behoort tot de kring van bloed- en aanverwanten zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

De Hoge Raad benadrukte dat de vrijstelling is bedoeld om versnippering van ondernemingen bij overdracht aan (pleeg)kinderen, kleinkinderen en hun echtgenoten te voorkomen. De wetgever heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid en heeft deze niet overschreden. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vrijstelling overdrachtsbelasting bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.420
7 november 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 juni 2002, nr. 98/04538, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
1. Voldoening, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 51.945 aan overdrachtsbelasting. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) terecht heeft afgewezen.
3.2. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat belanghebbende niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van Pro het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer op die vrijstelling een beroep heeft gedaan binnen een maand na de verkrijging. Daartegen richt zich het middel.
3.3. Het middel faalt bij gebrek aan belang, omdat 's Hofs hiervoor onder 3.1 vermelde oordeel juist is.
Belanghebbende heeft immers geen recht op de vrijstelling nu hij niet behoort tot de in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet vermelde kring van bloed- en aanverwanten. Die bepaling is, anders dan belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd, niet in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, noch in strijd met enige andere verdragsrechtelijke bepaling. De ratio van de onderhavige vrijstelling is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op (pleeg-)kinderen, kleinkinderen, alsmede de echtgenoten van (pleeg-) kinderen en kleinkinderen. In overeenstemming hiermee heeft de wetgever de vrijstelling van overdrachtsbelasting beperkt tot het geval waarin de bedrijfsopvolger behoort tot de genoemde kring van personen. Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden (vgl. HR 6 juni 2003, nr. 37755, V-N 2003/31.21).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2003.