ECLI:NL:HR:2004:AL8626
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling alimentatie na echtscheiding met toekomstige wijzigingsmogelijkheid
Partijen zijn in 1976 gehuwd en in 1999 gescheiden. De man werd door de rechtbank veroordeeld tot betaling van een maandelijkse bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van €646,64. In hoger beroep stelde de man dat de vrouw geen behoefte meer had aan alimentatie en dat hij geen draagkracht had. Het hof stelde de alimentatie vast tot 1 juli 2005 en bepaalde dat vanaf die datum de bijdrage op nihil zou komen te staan, met de mogelijkheid voor de vrouw om bij onvoldoende zelfvoorziening een verzoek tot wijziging in te dienen.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het deel van de beschikking waarin de alimentatie vanaf 1 juli 2005 op nihil werd gesteld. De Hoge Raad overwoog dat het hof de alimentatie niet definitief had beëindigd, maar een toekomstige wijzigingsmogelijkheid openhield conform artikel 1:401 BW Pro. Het hof had het verzoek van de man niet opgevat als een definitieve limitering op grond van artikel 1:157 lid 3 BW Pro, waarvoor hoge eisen gelden.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van de vrouw berustte op een verkeerde lezing van de beschikking en dat het beroep daarom moest worden verworpen. De beschikking van het hof bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de alimentatievaststelling tot 1 juli 2005 met daaropvolgende nihilstelling en mogelijkheid tot herziening.