ECLI:NL:HR:2004:AN4856

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38602
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57a lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie van winst uit aandelenverkoop als inkomsten uit vermogen

Belanghebbende, samen met zijn broers directeur en aandeelhouder van een holding, verkocht eind 1996 zijn aandelen aan de holding voor een bedrag van ƒ 420.400. De betaling vond begin 1997 plaats. Voor het jaar 1997 was aanvankelijk een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 53.393, waarna een navorderingsaanslag volgde met een belastbaar inkomen van ƒ 443.793.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag, maar dit werd door de Inspecteur gehandhaafd. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde dat de winst uit de aandelenverkoop moest worden belast als inkomsten uit vermogen volgens de regeling van 1996, tegen het tarief van 25 procent. De Inspecteur stelde hiertegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de winst niet als winst uit aanmerkelijk belang kwalificeert onder de sinds 1 januari 1997 geldende regeling, maar als inkomsten uit vermogen volgens de oude regeling. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de winst uit aandelenverkoop als inkomsten uit vermogen wordt belast tegen 25 procent.

Uitspraak

Nr. 38.602
18 juni 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 april 2002, nr. P00/01855, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 53.393. Vervolgens is aan hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 443.793, waarvan f 390.400 belast naar het tarief van artikel 57 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, (hierna: de Wet) tekst 1997, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 443.793, waarvan f 390.400 belast naar het tarief van 25 percent. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 23 september 2003 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot het afdoen van de zaak door de Hoge Raad.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was tezamen met twee broers directeur van en, ieder voor 1/3 deel, aandeelhouder in K Holding B.V. (hierna: de holding). Deze holding hield alle aandelen in L B.V. Belanghebbende heeft zijn aandelen in de holding, waarop ƒ 30.000 was gestort, verworven voor ƒ 30.000. Eind 1996 is tussen belanghebbende en de holding overeenstemming bereikt over de verkoop van deze aandelen aan de holding voor een bedrag van f 420.400. De betaling van de koopsom heeft begin 1997 plaatsgevonden.
3.2. Tussen partijen is in geschil of er zich een nieuw feit voordoet dat grond voor navordering kan opleveren en of in 1997 de bij de verkoop gerealiseerde winst belast kan worden als inkomsten uit vermogen of als winst uit aanmerkelijk belang.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de vervreemding onder de sedert 1 januari 1997 geldende wettelijke regeling niet leidt tot kwalificatie van het voordeel als winst uit aanmerkelijk belang maar dat dit voordeel, overeenkomstig de in 1996 geldende regeling, moet worden gerekend tot de inkomsten uit vermogen, hetgeen leidt tot inkomsten die belanghebbende op grond van het bepaalde van artikel 33 van Pro de Wet in 1997 heeft genoten en die derhalve in het inkomen van dat jaar moeten worden begrepen. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat op deze inkomsten het tarief van 25 percent, genoemd in artikel 57a, lid 2, van de Wet, van toepassing is.
3.4. Middel II faalt op de gronden vermeld in het heden tussen dezelfde partijen gewezen arrest in de zaak met nummer 38601.
3.5. Middel I kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2004.