ECLI:NL:HR:2004:AN4856
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie van winst uit aandelenverkoop als inkomsten uit vermogen
Belanghebbende, samen met zijn broers directeur en aandeelhouder van een holding, verkocht eind 1996 zijn aandelen aan de holding voor een bedrag van ƒ 420.400. De betaling vond begin 1997 plaats. Voor het jaar 1997 was aanvankelijk een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 53.393, waarna een navorderingsaanslag volgde met een belastbaar inkomen van ƒ 443.793.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag, maar dit werd door de Inspecteur gehandhaafd. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde dat de winst uit de aandelenverkoop moest worden belast als inkomsten uit vermogen volgens de regeling van 1996, tegen het tarief van 25 procent. De Inspecteur stelde hiertegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de winst niet als winst uit aanmerkelijk belang kwalificeert onder de sinds 1 januari 1997 geldende regeling, maar als inkomsten uit vermogen volgens de oude regeling. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de winst uit aandelenverkoop als inkomsten uit vermogen wordt belast tegen 25 procent.