ECLI:NL:HR:2004:AN7621

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1387, 1388, 1389 en 1390
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 91 OwArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt schadeloosstelling bij onteigening ondanks eigendomsoverdracht na tervisielegging

In deze zaak stonden vijf cassatieberoepen centraal tegen vier arresten van het Hof die schadeloosstellingen vaststelden voor onteigende gronden in Dordrecht. De Hoge Raad behandelde de beroepen gezamenlijk en verwierp de cassatieberoepen van de gemeente en andere partijen.

De kern van het geschil betrof de vraag of onteigenden aanspraak konden maken op vergoeding van exploitatieschade, ook wanneer zij hun eigendom na de tervisielegging van het onteigeningsbesluit hadden overgedragen aan derden. Het Hof had geoordeeld dat de onteigenden serieuze plannen hadden om de bestemming van hun gronden zelf te realiseren en dat zij daardoor aanspraak hadden op schadeloosstelling.

De gemeente voerde aan dat de overdracht van eigendom na de tervisielegging de aanspraak op schadeloosstelling uitsloot. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat de latere eigendomsoverdracht niet zonder meer leidt tot het vervallen van de aanspraak op vergoeding van winst die met exploitatie van de gronden behaald had kunnen worden.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld over de feitelijke aannames en dat de middelen van de gemeente niet slaagden. De kosten van het geding in cassatie werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde de vastgestelde schadeloosstellingen ondanks eigendomsoverdracht na tervisielegging.

Uitspraak

Nrs. 1386-1390
26 maart 2004
AB
in de zaak met rolnr. 1386, van:
1. Belinog B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
2. de Stichting [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [Persoon 1]
(geboren [geboortedatum] 1948),
wonende te [woonplaats],
zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van [persoon 2], overleden,
4. [Persoon 3]
(geboren [geboortedatum] 1919),
wonende te [woonplaats],
5. [Persoon 4],
wonende te [woonplaats],
6. [Persoon 5],
wonende te [woonplaats]
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. M.A. Goedkoop,
tegen
de gemeente Dordrecht,
zetelende te Dordrecht,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke,
in de zaak met rolnr. 1387, van:
de gemeente Dordrecht,
zetelende te Dordrecht,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke,
tegen
1. [Persoon 5],
wonende te [woonplaats],
2. de Stichting [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Goedkoop,
in de zaak met rolnr. 1388, van:
de gemeente Dordrecht,
zetelende te Dordrecht,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke,
tegen
1. de Stichting [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. Banque Artesia Nederland N.V.,
gevestigd te Arnhem,
verweersters in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Goedkoop
(voor verweerster sub 1),
verweerster sub 2 niet verschenen,
in de zaak met rolnr. 1389, van:
de gemeente Dordrecht,
zetelende te Dordrecht,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke,
tegen
1. [Persoon 4],
wonende te [woonplaats],
2. Belinog B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
3. Banque Artesia Nederland N.V.,
gevestigd te Arnhem,
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Goedkoop
(voor verweerders sub 1 en 2),
verweerster sub 3 niet verschenen,
in de zaak met rolnr. 1390, van:
de gemeente Dordrecht,
zetelende te Dordrecht,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke,
tegen
1. [Persoon 1]
(geboren [geboortedatum] 1948),
wonende te [woonplaats],
zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde voor [persoon 2], overleden,
2. [Persoon 3]
(geboren [geboortedatum] 1919),
wonende te [woonplaats],
3. Banque Artesia Nederland N.V.,
gevestigd te Arnhem,
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Goedkoop
(voor verweerders sub 1 en 2),
verweerster sub 3 niet verschenen.
1. Geding in eerdere instanties
1.1. De loop van het geding tot aan het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 1999 (NJ 1999, 819) is in dat arrest omschreven. Bij dat arrest verwierp de Hoge Raad het beroep tegen de arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 januari 1999 waarbij de gevorderde onteigeningen bij vervroeging werden uitgesproken. Nadien heeft dat hof de behandeling hervat met het oog op de vaststelling van de schadeloosstellingen.
1.2. Nadat het Hof bij arrest van 20 juni 2002 in de zaak met rolnr. 1389 en bij arresten van 27 september 2002 in de zaken met rolnrs. 1388 en 1390 Banque Artesia had toegelaten als tussenkomende partij, heeft het bij (vier) arresten van 23 januari 2003
- in het tegen Stichting [A] (hierna: [A]) als oorspronkelijk gedaagde uitgesproken arrest (bij de Hoge Raad rolnr. 1388) de schadeloosstelling vastgesteld op € 1.770.379,36, met veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 552.840,44 aan Banque Artesia als tussengekomen hypotheekhoudster en € 848.978,63 aan [A] als oorspronkelijk gedaagde eigenaar;
- in het tegen [persoon 4] en Belinog B.V. (hierna: Belinog) als oorspronkelijk gedaagden uitgesproken arrest (bij de Hoge Raad rolnr. 1389) de totale schadeloosstelling vastgesteld op € 1.116.541,71, met veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 529.032,86 aan Banque Artesia als tussengekomen hypotheekhoudster en € 443.137,16 aan Belinog als oorspronkelijk gedaagde eigenaar en als tussengekomen rechtsopvolgster van [persoon 4];
- in het tegen [persoon 5] als oorspronkelijk gedaagde uitgesproken arrest (bij de Hoge Raad rolnr. 1387) de schadeloosstelling vastgesteld op € 23.410,34, met veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 18.536,74 aan [A] als tussengekomen rechtsopvolgster van [persoon 5];
- in het tegen [persoon 1], geboren [in] 1948, en [persoon 3], geboren [in] 1919 (hierna: [persoon 1] c.s.) als oorspronkelijk gedaagden uitgesproken arrest (bij de Hoge Raad rolnr. 1390) de totale schadeloosstelling vastgesteld op € 1.985.911,39, met veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 620.145,12 aan Banque Artesia als tussengekomen hypotheekhoudster en € 952.336,17 aan [persoon 1] c.s. als oorspronkelijk gedaagde eigenaren.
1.3. De vier arresten van 23 januari 2003 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie in de zaak met rolnr. 1386
2.1. Alle oorspronkelijk gedaagden tezamen hebben bij één dagvaarding beroep in cassatie ingesteld tegen de vier arresten van 23 januari 2003. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. Eisers hebben gerepliceerd, de Gemeente heeft gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 31 oktober 2003 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.5. Elk van beide advocaten heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Geding in cassatie in de zaken met rolnrs. 1387-1390
3.1. De Gemeente heeft bij vier afzonderlijke dagvaardingen beroep in cassatie ingesteld tegen elk van de vier arresten van 23 januari 2003, en daarbij één, in alle zaken gelijkluidend middel aangevoerd. De cassatiedagvaarding in de zaak met rolnr. 1387 is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3.2. De verschenen verweerders hebben telkens geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De Gemeente heeft gerepliceerd, de verschenen verweerders hebben gedupliceerd.
3.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 31 oktober 2003 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden arresten, en tot verwijzing van de zaken.
3.5. Elk van beide advocaten heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
4. Gevoegde behandeling
Het betreft hier over en weer ingestelde cassatieberoepen tegen een viertal arresten in verknochte zaken. De Hoge Raad zal daarom de vijf beroepen gevoegd behandelen. Mitsdien heeft de Gemeente geen belang meer bij haar in de zaken met rolnrs. 1387-1390 ingestelde incidentele vordering tot voeging van die vier zaken.
5. Beoordeling van het middel van de Gemeente, in de zaken met rolnrs. 1387-1390
5.1. In zijn eerdere arrest in deze zaak verwierp de Hoge Raad de klachten tegen het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de Kroon niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de onteigenden niet bereid en niet in staat waren het plan op de door de Gemeente voorgestane wijze uit te voeren. In de thans bestreden arresten heeft het Hof geoordeeld dat de onteigenden zich na het Kroonbesluit bereid hebben verklaard het plan uit te voeren conform de eisen van de Gemeente, dat dan ook voldoende aannemelijk is dat, de onteigening weggedacht, de onteigenden alsnog na overleg met de Gemeente op hun gronden (delen van) de bestemming zelfstandig hadden kunnen realiseren, en dat zij mitsdien aanspraak hebben op vergoeding van exploitatieschade, nu zij als gevolg van de onteigening de bestemming niet meer zelf hebben kunnen realiseren.
5.2. Voorzover deze oordelen betrekking hebben op de onteigenden [A] en de daarmee gelieerde vennootschap Belinog is de Gemeente daartegen in cassatie niet opgekomen. Het middel van de Gemeente is uitsluitend gericht tegen deze oordelen voorzover zij betrekking hebben op de overige onteigenden ([persoon 1] c.s., [persoon 4] en [persoon 5]), zulks in verband met het bepaalde in artikel 91 van Pro de Onteigeningswet (hierna: Ow.). In dat verband wijst de Gemeente op het in cassatie vaststaande feit dat die overige onteigenden hun gronden na de tervisielegging van het onteigeningsbesluit in eigendom hebben overgedragen aan [A] respectievelijk Belinog.
5.3. Onderdeel 1 veronderstelt dat het Hof is uitgegaan van de feitelijke aanname dat [persoon 1] c.s., [persoon 4] en [persoon 5] ten tijde van de tervisielegging serieuze plannen ontwikkelden om zelf de exploitatie van hun eigendommen ter hand te nemen door daarop de bedrijfsbestemmingen te gaan realiseren.
5.4. Die veronderstelling is juist. In de zaak met rolnr. 1387 (bij het Hof rolnr. 98/427) heeft het Hof in rechtsoverweging 8 geoordeeld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [A] c.s. serieuze plannen hadden om de bestemming op hun grond zelf te realiseren, en blijkens zijn in rechtsoverweging 1 ingevoerde definitie doelt het Hof met "[A] c.s." op "alle gedaagden in de onteigeningsprocedures". In de zaken met rolnrs. 1388-1390 heeft het Hof - zakelijk - in gelijke zin overwogen.
5.5. Het onderdeel klaagt dat de onder 5.3 weergegeven feitelijke aanname onbegrijpelijk is, en/of onvoldoende gemotiveerd, dan wel dat het Hof zelf de feiten heeft aangedragen.
5.6. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de Gemeente voor het Hof ten aanzien van alle onteigenden de aan hun zelfrealisatieplannen ontleende aanspraak op vergoeding van exploitatieschade heeft bestreden, zonder, voorzover hier van belang, tussen [A] en Belinog enerzijds en de overige onteigenden anderzijds een ander onderscheid te maken dan dat [persoon 1] c.s., [persoon 4] en [persoon 5] hun eigendommen eerst na de tervisielegging aan [A] respectievelijk Belinog hebben overgedragen. In het licht van deze stellingname van de Gemeente, tegenover die van de onteigenden, kan niet worden gezegd dat de feitelijke aanname van het Hof berust op het zelf aandragen van feiten, en behoefde die aanname geen nadere motivering. Zij is ook niet onbegrijpelijk. Mitsdien faalt onderdeel 1.
5.7. Onderdeel 2 neemt tot uitgangspunt dat, gelet op de in onderdeel 1 ontwikkelde klacht, niet mag worden aangenomen dat [persoon 1] c.s., [persoon 4] en [persoon 5] ten tijde van de tervisielegging serieuze voornemens hadden zelf de bedrijfsbestemming te realiseren. Aangezien dit uitgangspunt blijkens de verwerping van onderdeel 1 onjuist is, faalt onderdeel 2.
5.8. Weliswaar heeft de Gemeente in haar schriftelijke toelichting nader betoogd dat onderdeel 1 onbesproken kan blijven omdat reeds het enkele feit dat [A] en Belinog een deel van de gronden na de tervisielegging hebben verworven, tot gevolg heeft dat voor de schadeloosstelling geen rekening hoeft te worden gehouden met een op dat deel van de gronden door [A] en/of Belinog beoogde exploitatie, maar dat betoog is onjuist. Gegeven het - wegens de verwerping van onderdeel 1 verder tot uitgangspunt dienende - feit dat ten tijde van de tervisielegging alle onteigenden tezamen zelfrealisatie beoogden, behoeft de latere eigendomsoverdracht door sommigen aan anderen hunner niet (zonder meer) te leiden tot teloorgang van de aanspraak op vergoeding van de winst, die met de exploitatie van de overgedragen gronden behaald had kunnen worden.
6. Beoordeling van de middelen van de onteigenden, in de zaak met rolnr. 1386
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
in alle zaken:
verwerpt de beroepen;
compenseert de kosten van de gedingen in cassatie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2004.