ECLI:NL:HR:2004:AN7822

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/240HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering betaling door Bocchi Fruit Trade Benelux

Eiseres vorderde bij de rechtbank Rotterdam betaling van een bedrag van ƒ 241.920,-- van Bocchi Fruit Trade Benelux, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank veroordeelde Bocchi tot betaling, maar het gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. De Hoge Raad verwerpt het beroep van eiseres en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, waaronder verschotten en salaris advocaat aan de zijde van Bocchi. Het arrest is gewezen door de raadsheren Fleers, Hammerstein en Numann en in het openbaar uitgesproken door Hammerstein op 30 januari 2004.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

30 januari 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/240HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
BOCCHI FRUIT TRADE BENELUX B.V., gevestigd te Bleiswijk,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: voorheen mr. T.H. Tanja-van den Broek,
thans mr. M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 31 juli 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: Bocchi - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bocchi te veroordelen aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 241.920,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bocchi heeft de vordering bestreden.
Bij eindvonnis van 2 december 1999 heeft de rechtbank Bocchi veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 241.920,--, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 230.400,-- vanaf 26 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen het eindvonnis heeft Bocchi hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 16 april 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bocchi heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bocchi begroot op € 2.926,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 januari 2004.