ECLI:NL:HR:2004:AN8656
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag dividendbelasting ondanks verdrag met Zwitserland
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, kreeg voor het jaar 1996 een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd over een bedrag van ƒ 3.900.000 met een tarief van 25% en een verhoging van 100%, waarvan de Inspecteur 50% kwijtschelding verleende. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar de verhoging deels kwijtgescholden.
Het geschil betrof onder meer de vraag of het lagere tarief van 15% uit het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland van toepassing was, aangezien de aandeelhouders in Zwitserland wonen. Het Hof oordeelde dat alleen de Zwitserse fiscale autoriteiten de verlaging kunnen toepassen en dat Nederland als bronstaat het volledige tarief mag heffen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiegronden van belanghebbende, waaronder een motiveringsklacht en het betoog dat het tarief verlaagd moest worden. Ook het verwijt van grove schuld werd door de Hoge Raad niet onjuist bevonden. De Hoge Raad wees het beroep af en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag dividendbelasting met het tarief van 25%.