ECLI:NL:HR:2004:AO0603
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.L.M. Urlings
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor faillissementsfraude door aannemen betaling via cessie belastingvordering
De verdachte, bestuurder van [A] B.V., werd veroordeeld wegens faillissementsfraude omdat hij een betaling aannam van een vordering van [B] B.V. op de Belastingdienst, via een cessie, kort voor het faillissement van [B] B.V. Deze cessie had tot doel de rechten van schuldeisers van [B] B.V. te benadelen.
Het hof oordeelde dat de cessie rechtsgeldig was en dat sprake was van het aannemen van een betaling in de zin van art. 344 Sr Pro. De verdediging betwistte dit, met name de rechtsgeldigheid van de cessie en het moment waarop de belastingvordering was ontstaan.
De Hoge Raad bevestigde dat een belastingvordering rechtstreeks uit de wet voortvloeit zodra de wettelijke voorwaarden zijn vervuld en dat de cessie aan de wettelijke eisen voldeed. Ook stelde de Hoge Raad dat art. 24 lid 5 Invorderingswet Pro 1990 geen aanvullende eisen stelt aan de rechtsgeldigheid van de cessie, maar slechts aan de bevoegdheid van de ontvanger tot verrekening.
Daarmee verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete wegens faillissementsfraude.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor faillissementsfraude blijft in stand.