ECLI:NL:HR:2004:AO1969
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens tussentijds arrest
Eiseres heeft cassatieberoep ingesteld tegen een tussenvonnis van de rechtbank en een arrest van het gerechtshof dat dit tussenvonnis bekrachtigde en de zaak terugverwees voor verdere behandeling. De erfgenamen van de wederpartij zijn niet verschenen en verstek is verleend. Eiseres verzocht tevens om tussentijds cassatieberoep toe te staan op grond van art. 234 Rv Pro.
De Hoge Raad overwoog dat het bestreden arrest een tussentijds arrest is, omdat het niet het geding omtrent enig deel van de vordering definitief afsloot. Volgens de toepasselijke procesrechtelijke bepalingen (art. 401a lid 2 Rv.) kan tegen een tussentijds arrest slechts cassatieberoep worden ingesteld samen met het eindarrest, tenzij het hof anders bepaalt of uitzonderingen van toepassing zijn, wat hier niet het geval was.
Het verzoek van eiseres om tussentijds cassatieberoep toe te staan op grond van art. 234 Rv Pro. werd afgewezen, omdat een dergelijk verzoek aan de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen moet worden gericht en niet op art. 234 Rv Pro. kan worden gebaseerd. Gevolg is dat eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
De Hoge Raad compenseerde de kosten van het geding in cassatie, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het karakter van het tussentijds arrest.