ECLI:NL:HR:2004:AO1972

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/101HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling kinderalimentatie afgewezen door Hoge Raad

De moeder verzocht bij de rechtbank om vaststelling van kinderalimentatie voor haar kinderen, met ingang van 23 januari 2001, waarbij zij een bedrag van ƒ 1.250,-- per maand voor de dochter en ƒ 625,-- per maand voor de zoon vorderde. De vader betwistte dit verzoek. De rechtbank wees het verzoek toe bij beschikking van 31 augustus 2001. De vader ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat bij beschikking van 30 oktober 2002 de beslissing van de rechtbank bekrachtigde.

De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De moeder verzocht het cassatieberoep af te wijzen en de Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vader geen aanleiding geven tot cassatie, mede omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Aaftink, Beukenhorst en Van Buchem-Spapens en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Hammerstein op 23 april 2004.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vaststelling van kinderalimentatie door lagere instanties.

Uitspraak

23 april 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/101HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 23 januari 2001 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht - met wijziging van de beschikking van 29 april 1998 - de aan haar ten laste van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 januari 2001 vast te stellen voor [de dochter], geboren op 24 maart 1986, op ƒ 1.250,-- per maand en voor [de zoon], geboren op 10 januari 1990, op ƒ 625,-- per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
De vader heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 31 augustus 2001 het verzoek van de moeder toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 30 oktober 2002 heeft het hof de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het cassatieverzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 april 2004.