ECLI:NL:HR:2004:AO2264

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01339/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid afleggen eed/belofte getuige en verwerpt cassatieberoep

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf voor diefstal en poging daartoe, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Een van de middelen in cassatie betrof de vraag of uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat een getuige de eed of belofte heeft afgelegd. De verdediging stelde dat dit niet het geval was en dat daarom in cassatie moest worden aangenomen dat de getuige noch de eed noch de belofte had afgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal wel degelijk uitdrukkelijk vermeldt dat de getuige de eed of belofte heeft afgelegd, zij het zonder specificatie welke van de twee, en dat dit middel daarom geen feitelijke grondslag heeft.

Een tweede middel richtte zich tegen het gebruik door het hof van een bewijsmiddel dat volgens de verdediging een niet bestaande verklaring van de verdachte bevatte. De Hoge Raad constateerde dat het hof kennelijk bij vergissing dit bewijsmiddel tot bewijs had gerekend, maar corrigeerde deze misslag zelf, waardoor de feitelijke grondslag van het middel verviel.

Omdat geen van de middelen slaagde en er geen andere gronden waren voor vernietiging, werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak van het hof bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zestien maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

9 maart 2004
Strafkamer
nr. 01339/03
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 2002, nummer 22/002859-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 18 april 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1b., 2., 3. en 6. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 4. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, meermalen gepleegd" en 5."poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt of de aldaar gehoorde getuige [getuige 1] de eed of de belofte heeft afgelegd en dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat [getuige 1] noch de eed noch de belofte heeft afgelegd.
3.2. Bedoeld proces-verbaal houdt onder meer in:
"De getuigen, ieder afzonderlijk opgeroepen, doen ieder voor zich op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam (...) en leggen vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de eed\belofte af de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zeggen, alles voorzover hieronder niet anders is vermeld.
1. [Getuige 2] (...) eed (...)."
Verder houdt het proces-verbaal bij de vermelding van de persoonsgegevens van de als tweede gehoorde getuige [getuige 1] en van hetgeen zij heeft verklaard niet in of zij de eed dan wel de belofte heeft afgelegd. Evenmin bevat het proces-verbaal iets waaruit volgt dat ten aanzien van deze getuige anders is gehandeld dan daarboven in de passage betrekking hebbende op beide getuigen tezamen, is vermeld.
3.3. Aldus is in het proces-verbaal van de terechtzitting wel tot uitdrukking gebracht dat de getuige [getuige 1] de eed dan wel de belofte heeft afgelegd, doch niet welke keuze die getuige tussen de eed of belofte heeft gemaakt. Het middel dat van een andere lezing van dat proces-verbaal uitgaat en stelt dat in cassatie het ervoor gehouden moet worden dat [getuige 1] noch de eed noch de belofte heeft afgelegd, mist derhalve feitelijke grondslag.
3.4. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel keert zich tegen het gebruik door het Hof van bewijsmiddel 8, aangezien dat bewijsmiddel een niet bestaande verklaring van de verdachte inhoudt.
4.2. Op de gronden als weergegeven door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 12 tot en met 21 heeft het Hof kennelijk bij vergissing bewijsmiddel 8 mede tot het bewijs doen strekken van de bewezenverklaring.
De Hoge Raad leest het arrest met verbetering van die misslag. Daardoor komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 maart 2004.