ECLI:NL:HR:2004:AO2272
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Geen analoge toepassing van termijnbetaling bij ontnemingsverplichting in strafzaak
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de Advocaat-Generaal behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin betaling in termijnen van een ontnemingsbedrag was toegestaan.
Het Hof had de veroordeelde toegestaan om het bedrag van €250.992,88 in 368 termijnen te voldoen, waarbij het Hof zich baseerde op een analoge toepassing van art. 24a Sr. De Hoge Raad overweegt dat sinds 1 maart 1993 art. 24a Sr niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in ontnemingszaken en dat er geen grond bestaat voor analoge toepassing.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen om betaling in termijnen bij ontneming niet toe te staan en dat de rechter slechts bevoegd is tot matiging van de betalingsverplichting zoals geregeld in art. 36e Sr, vierde lid. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover het de betalingsverplichting betreft en wijst de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde beoordeling. Het overige van het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het betaling in termijnen toestaat en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.