ECLI:NL:HR:2004:AO2624

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01362/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling met voorbedachten rade en poging tot doodslag bevestigd

De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens zware mishandeling met voorbedachten rade en poging tot doodslag. Dit arrest volgde op vernietiging van het eerdere vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Zijn raadsman diende schriftelijke middelen van cassatie in, waarop de plaatsvervangend Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad nam kennis van het commentaar van de raadsman op deze conclusie.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat er geen reden was om ambtshalve het arrest te vernietigen. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist. Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte ongewijzigd bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, waardoor de veroordeling tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, in stand blijft.

Uitspraak

23 maart 2004
Strafkamer
nr. 01362/03
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 april 2003, nummer 22/000295-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 17 september 2002, heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 juli 1999 - de verdachte ter zake van (zaak A subsidiair) "zware mishandeling met voorbedachten rade" en (zaak B) "poging tot doodslag" veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 maart 2004.