ECLI:NL:HR:2004:AO3438
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks schending gelijktijdige betekening ontnemingsvordering
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had vastgesteld dat het OM de ontnemingsvordering circa negen maanden later betekende dan de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek, waarmee het in strijd handelde met artikel 511b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging stelde dat deze schending leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM in zijn vordering. Het hof verwierp dit verweer omdat er geen sprake was van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde die het recht op een eerlijke behandeling van de zaak van de betrokkene zou schenden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis aanwijzingen bevatten dat een schending van de gelijktijdige betekening zonder meer tot niet-ontvankelijkheid leidt. Het beroep in cassatie werd verworpen en de bestreden uitspraak gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de vordering tot ontneming blijft ontvankelijk ondanks de schending van artikel 511b Sv.