ECLI:NL:HR:2004:AO3438

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01269/03 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511b SvWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks schending gelijktijdige betekening ontnemingsvordering

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had vastgesteld dat het OM de ontnemingsvordering circa negen maanden later betekende dan de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek, waarmee het in strijd handelde met artikel 511b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging stelde dat deze schending leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM in zijn vordering. Het hof verwierp dit verweer omdat er geen sprake was van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde die het recht op een eerlijke behandeling van de zaak van de betrokkene zou schenden.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis aanwijzingen bevatten dat een schending van de gelijktijdige betekening zonder meer tot niet-ontvankelijkheid leidt. Het beroep in cassatie werd verworpen en de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de vordering tot ontneming blijft ontvankelijk ondanks de schending van artikel 511b Sv.

Uitspraak

1 juni 2004
Strafkamer
nr. 01269/03 P
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 februari 2003, nummer 20/001705-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 mei 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 64.000,--, subsidiair 436 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof zodat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in strijd met art. 511b, derde lid, Sv niet gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek is betekend.
3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer, inhoudende dat het openbaar ministerie in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, daar de ontnemingsvordering van circa 9 maanden later dan de betekening van de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek dateert en derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 511b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de vordering voorts ook niet conform het bepaalde in artikel 511b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, zo spoedig mogelijk bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, herhaald.
Het hof stelt vast dat de vordering ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ongeveer negen maanden later is betekend (betekening op 4 oktober 2000) dan de betekening van de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek (betekening op 4 januari 2000). Het openbaar ministerie heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 511b, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel dat ertussen de beide betekeningen zonder noodzaak geruime tijd verstreken is zodat de vordering niet zo spoedig mogelijk aanhangig is gemaakt.
De vordering is overigens wel ingediend binnen de in artikel 511b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van twee jaar. Deze termijn is echter een uiterste termijn. Als uitgangspunt dient te gelden dat de vordering zo
spoedig mogelijk aanhangig wordt gemaakt.
Het hof is weliswaar van oordeel dat zowel het eerste als het derde lid van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering geschonden is, maar dat de sanctie niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie slechts kan volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. In dit geval is er naar het oordeel van het hof geen sprake van zo'n situatie en dient derhalve het verweer te worden verworpen."
3.3. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen vastgesteld dat het Openbaar Ministerie art. 511b Sv niet heeft nageleefd door de ontnemingsvordering niet - op de voet van het derde lid - gelijktijdig te hebben doen betekenen met de betekening van de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek.
Het middel berust op de opvatting dat dit zonder meer dient te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering. Die opvatting is onjuist, in aanmerking genomen dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis daarvoor aanknopingspunten bevat.
3.4. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 juni 2004.