ECLI:NL:HR:2004:AO3642

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38598
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 221 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitsluiting recreatieve woonark van belasting roerende woon- en bedrijfsruimten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer stelde tegen een belanghebbende aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten voor een woonark met een vaste ligplaats in Aalsmeer. De woonark werd slechts recreatief gebruikt van 1 april tot 1 oktober en was voorzien van basisvoorzieningen zoals kookgelegenheid en w.c., maar geen douche. Na bezwaar handhaafde het college de aanslagen, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslagen en de uitspraak van het college.

Het college stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kernvraag was of de woonark als permanente bewoning diende in de zin van artikel 221 van Pro de Gemeentewet. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever niet de bedoeling had recreatieve woonschepen in deze belasting te betrekken. Het feit dat de woonark feitelijk bruikbaar is voor permanente bewoning was niet beslissend. Het Hof had geoordeeld dat de woonark niet als hoofdverblijf diende en recreatief werd gebruikt conform voorschriften.

De Hoge Raad vond het oordeel van het Hof niet onjuist, onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en verwierp de klachten. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Het beroep van het college werd ongegrond verklaard en het griffierecht werd geheven.

Uitkomst: Het beroep van het college in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden vernietigd.

Uitspraak

Nr. 38.598
13 februari 2004
Za
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer (hierna: het college) te Aalsmeer tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 april 2002, nr. P01/02836, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten van de gemeente Aalsmeer.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2001 ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit en beperkt recht en ter zake van het gebruik van een woonark gelegen in openbaar water plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q twee op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Aalsmeer (hierna: het Hoofd) zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van het Hoofd alsmede de aanslagen vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het college heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een woonark die een vaste ligplaats heeft in de gemeente Aalsmeer. De woonark mag alleen worden bewoond gedurende een gedeelte van het jaar, te weten van 1 april tot 1 oktober. Belanghebbende houdt zich daaraan.
De woonark is voorzien van een kookgelegenheid en van een w.c., maar heeft geen douche. De woonark is aangesloten op de waterleiding, het elektriciteitsnet en de riolering. De riolering wordt 's winters afgekoppeld.
3.2. In cassatie gaat het, evenals voor het Hof, om de vraag of de woonark dient tot permanente bewoning in de zin van artikel 221 van Pro de Gemeentewet. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe onder meer redengevend geoordeeld dat de ark belanghebbende niet tot hoofdverblijf dient en door hem, in overeenstemming met de terzake geldende voorschriften, feitelijk als recreatieark wordt gebruikt in de periode van 1 april tot 1 oktober.
3.3. Uit de in de conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2000, nr. 34153, BNB 2000/380, weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 221 volgt Pro dat de wetgever niet heeft bedoeld recreatieve woonschepen in de door deze bepaling mogelijk gemaakte belasting te betrekken. Het bestreden oordeel van het Hof geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de klachten aanvoeren, is in deze het feitelijk bruikbaar zijn van de zaak voor permanente bewoning niet beslissend.
Als verweven met waarderingen van feitelijke aard kan 's Hofs oordeel in cassatie voor het overige niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk.
De klachten, die zich tegen dit oordeel richten, falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2004.
Van de Gemeente Aalsmeer wordt ter zake van het door Burgemeester en Wethouders ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.