ECLI:NL:HR:2004:AO4014

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/058HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:904 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging bindend advies en toewijzing betaling aan verweerster

In deze zaak vorderde verweerster bij de rechtbank dat een bindend advies van een geschillencommissie uit 1995 gedeeltelijk werd vernietigd en gewijzigd ten gunste van een hoger bedrag dat eiseres aan verweerster moest betalen. Eiseres stelde zich in eerste aanleg niet-ontvankelijk en onbevoegd, maar deze verweren werden afgewezen. De rechtbank vernietigde uiteindelijk het bindend advies gedeeltelijk en legde een betalingsverplichting op aan eiseres.

Eiseres ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de vonnissen van de rechtbank bekrachtigde. Vervolgens stelde eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bleef de uitspraak van het hof in stand, waarbij eiseres gehouden is het hogere bedrag aan verweerster te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de opeisbaarheidsdatum.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vernietiging van het bindend advies met de betalingsverplichting van eiseres aan verweerster.

Uitspraak

14 mei 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/058HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 28 januari 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat de beslissing van de geschillencommissie (hierna: de commissie) in het bindend advies van 17 oktober 1995 in conventie dat [eiseres] aan [verweerster] een bedrag van ƒ 110.463,79 dient te betalen partieel wordt vernietigd en aldus wordt gewijzigd dat [eiseres] aan [verweerster] dient te betalen een bedrag van ƒ 175.822,51, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[Eiseres] heeft bij incidentele conclusie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerster] en tot onbevoegdverklaring van de rechtbank.
Nadat [verweerster] de vordering in het incident had bestreden heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 26 augustus 1998 de vordering in het incident afgewezen.
Vervolgens heeft [eiseres] de vordering in de hoofdzaak bestreden.
Na een tussenvonnis van 28 juli 1999 heeft de rechtbank bij eindvonnis van 15 maart 2000 de beslissing in conventie in het ten processe bedoelde bindend advies van 17 oktober 1995 partieel vernietigd en op de voet van art. 7:904 BW Pro besloten dat de eerst zin van de beslissing in conventie van het bindend advies van de commissie als volgt luidt:
VDB dient aan DRS te betalen een bedrag van ƒ 175.822,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dato der opeisbaarheid der samenstellende delen en voor het geheel vanaf 25 augustus 1993, onder instandhouding van de overige beslissingen in conventie en in reconventie in het bindend advies.
Tegen de vonnissen van de rechtbank van 28 juli 1999 en 15 maart 2000 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 11 september 2002 heeft het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 841,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 mei 2004.