ECLI:NL:HR:2004:AO4098
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten raadsman na beëindiging strafzaak zonder strafoplegging
In deze zaak stond de vraag centraal of een gewezen verdachte, die in een strafzaak werd bijgestaan door een toegevoegde raadsman, na het einde van de zaak zonder strafoplegging en zonder toepassing van art. 9a Sr, een vergoeding kan krijgen voor de kosten van die raadsman wanneer hij met die raadsman overeenkomt geen gebruik te maken van de toevoeging en de kosten zelf betaalt.
De Hoge Raad verduidelijkte dat de vergoeding ex art. 591a, tweede lid, Sv alleen betrekking heeft op kosten van een raadsman die als gekozen raadsman is opgetreden conform art. 38 en Pro 39 Sv. Een raadsman die na het einde van de zaak als toegevoegde raadsman optreedt en waarbij de toevoeging niet wordt benut, valt hier niet onder.
Verder werd ingegaan op het systeem van toevoeging van rechtsbijstand en de betekenis van voorwaardelijke toevoegingen binnen de Wet op de rechtsbijstand. De Hoge Raad stelde vast dat een voorwaardelijke toevoeging in strafzaken niet mogelijk is en dat het hof ten onrechte anders had geoordeeld.
De bestreden beschikking waarbij een vergoeding werd toegekend werd vernietigd, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de rechten van partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en oordeelt dat kosten van een raadsman die na afloop van de zaak niet via toevoeging zijn gedeclareerd, niet vergoed kunnen worden ex art. 591a Sv.