ECLI:NL:HR:2004:AO5535

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38401
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 letter c Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 46 lid 9 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kosten verbouwing garage tot atelier niet aftrekbaar als studiekosten voor beroepsopleiding

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 94.907. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Arnhem werd het beroep ongegrond verklaard. De zaak betrof kosten van ƒ 10.575 voor de verbouwing van een garage tot atelier, gebruikt door de echtgenote van belanghebbende voor het laatste praktische jaar van haar opleiding aan de Hogeschool der Kunsten.

Het Hof oordeelde dat deze kosten niet als uitgaven voor opleiding of studie voor een beroep konden worden aangemerkt, omdat het ging om een studeerruimte, welke volgens het Hof elke ruimte omvat die wordt gebruikt in het kader van een opleiding. Belanghebbende stelde zich hiertegen in cassatie op het standpunt dat deze kosten wel aftrekbaar moesten zijn.

De Hoge Raad verwierp de klacht en bevestigde het oordeel van het Hof dat de kosten verband hielden met een studeerruimte en daarom niet in aanmerking konden worden genomen als aftrekbare studiekosten op grond van artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond. Dit arrest bevestigt de restrictieve uitleg van de aftrekbaarheid van studiekosten die samenhangen met ruimten die worden gebruikt voor studieactiviteiten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de verbouwingskosten niet aftrekbaar zijn als studiekosten.

Uitspraak

Nr. 38.401
12 maart 2004
SD
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 april 2002, nr. 99/03540, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 94.907, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
In het onderhavige jaar volgde de echtgenote van belanghebbende het laatste cursusjaar van een vijfjarige opleiding aan de Hogeschool der Kunsten te Q. Dit laatste cursusjaar betrof een nagenoeg volledig praktisch opleidingsjaar. Voor het uitvoeren van de praktijkopdrachten is de garage bij de woning van belanghebbende en zijn echtgenote in het onderhavige jaar verbouwd tot atelier, waarna de echtgenote van belanghebbende het atelier heeft gebruikt in het kader van haar opleiding. De kosten van de verbouwing hebben in het onderhavige jaar ƒ 10.575 bedragen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze kosten ingevolge artikel 46, lid 8 (kennelijk is bedoeld: lid 9), van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet in aanmerking kunnen worden genomen als uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep in de zin van artikel 46, lid 1, letter c, van die wet, nu zij verband houden met een studeerruimte. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat in dit verband onder het begrip studeerruimte moet worden verstaan elke ruimte die wordt gebruikt in het kader van het volgen van een opleiding of studie voor een beroep.
3.3. De klacht, die zich tegen laatstvermeld oordeel keert, faalt, aangezien dit oordeel juist is.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2004.