ECLI:NL:HR:2004:AO5693
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Uitleg van het begrip 'de zaak' in artikel 268 Wetboek van Strafvordering
In deze zaak stond de vraag centraal wat onder het begrip 'de zaak' in artikel 268 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet worden verstaan. De verdachte stelde dat het onderzoek ter terechtzitting nietig was omdat een raadsheer die eerder als rechter-commissaris onderzoek had verricht, aan het onderzoek ter terechtzitting had deelgenomen, wat volgens hem in strijd was met artikel 268 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat 'de zaak' in artikel 268 Sv Pro moet worden opgevat als de strafzaak tegen de verdachte zelf, waarin de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van inverzekeringstelling, bewaring of gerechtelijk vooronderzoek enig onderzoek heeft verricht. Het artikel verbiedt dus slechts dat een rechter die als rechter-commissaris in diezelfde zaak onderzoek heeft gedaan, aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt.
In deze zaak had de betrokken raadsheer als rechter-commissaris wel onderzoek verricht, maar niet in de strafzaak tegen de verdachte zelf, maar in een andere zaak tegen een medeverdachte. Dit is volgens de Hoge Raad niet in strijd met artikel 268 Sv Pro, omdat het artikel niet ziet op onderzoek in andere, zij het gerelateerde, zaken.
Daarom faalt het middel dat het onderzoek ter terechtzitting nietig zou zijn. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof dat de verdachte veroordeelde voor medeplegen van het overtreden van een accijnsverbod.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen van het overtreden van een accijnsverbod.