ECLI:NL:HR:2004:AO5711
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens overschrijding redelijke termijn niet onrechtmatig
In deze strafzaak was de verdachte veroordeeld door de politierechter tot een gevangenisstraf van één week wegens diefstal. De verdachte stelde hoger beroep in, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in dat hoger beroep. Hierdoor werd het vonnis van de politierechter onherroepelijk op 16 juni 2000.
De verdachte bracht vervolgens cassatieberoep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hof. Hij klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, zowel in de appèl- als cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat er geen grond was om de niet-ontvankelijkverklaring van het hof ambtshalve te vernietigen.
Daarmee bleef het vonnis van de politierechter onherroepelijk. Klachten over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en het niet tijdig toezenden van gedingstukken in cassatie, alsmede het niet binnen twee jaar doen van uitspraak door de Hoge Raad, konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtsgeldigheid van de niet-ontvankelijkverklaring, waarmee de strafrechtelijke procedure ten aanzien van de verdachte werd afgesloten.
Uitkomst: Het hof verklaarde de verdachte terecht niet-ontvankelijk in hoger beroep, waardoor het vonnis van de politierechter onherroepelijk werd.