ECLI:NL:HR:2004:AO6270
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. Van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen raadsheren Hoge Raad wegens ontbreken advocaat
De verdachte was in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van enig goed. Tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem stelde hij beroep in cassatie in, waarvoor hij door een advocaat werd vertegenwoordigd. Vervolgens diende de verdachte zelf, zonder tussenkomst van een advocaat, een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van de Hoge Raad die zijn cassatiezaak behandelden. Dit verzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid en het onthouden van recht op bijstand door een nieuwe raadsman.
De Hoge Raad behandelde het wrakingsverzoek tijdens een zitting waar de verdachte niet verscheen. De Advocaat-Generaal concludeerde primair tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, subsidiair tot afwijzing. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de Wet op de Strafvordering een verdachte in cassatie verplicht is zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen, ook bij het indienen van een wrakingsverzoek. Omdat het verzoek niet door een advocaat was ingediend, kon het niet ontvankelijk worden verklaard.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de aangevoerde gronden voor wraking niet leidden tot een vermoeden van onpartijdigheidsschade bij de raadsheren. De Hoge Raad verklaarde het wrakingsverzoek daarom niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door een advocaat was ingediend.