ECLI:NL:HR:2004:AO6323
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid brandstofkosten bij autokostenvergoeding
Belanghebbende maakte in 1997 gebruik van een door zijn werkgever ter beschikking gestelde personenauto en betaalde zelf brandstofkosten. De inspecteur had bij de aanslag geen bedrag voor het ter beschikking stellen van de auto bij het inkomen gerekend. Het Hof verklaarde het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk en verminderde de aanslag, maar oordeelde dat de brandstofkosten niet aftrekbaar waren omdat deze kosten door de autokostenvergoeding van de werkgever werden gedekt.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het onredelijk was dat hij de brandstofkosten niet mocht aftrekken, omdat hij deze eerst aan derden betaalde en vervolgens via de eigen bijdrage aan de werkgever terugbetaalde. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat de brandstofkosten geen op de inkomsten drukkende kosten vormden, omdat de autokostenvergoeding de variabele kosten dekte.
De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof in stand dat de brandstofkosten niet aftrekbaar zijn onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de brandstofkosten niet aftrekbaar zijn.