ECLI:NL:HR:2004:AO7337

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38455
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229d GemeentewetArt. 268 Gemeentewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gemeentelijke belastingvermindering en aanwending Zalmsnipgelden in Doetinchem

In deze zaak ging het om de vraag of de gemeente Doetinchem terecht een belastingvermindering van ƒ 90 had toegepast op aanslagen afvalstoffenheffing, rioolrechten en onroerendezaakbelastingen, en daarnaast een deel van de Zalmsnipgelden had besteed aan gericht minimabeleid. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen, maar de heffingsambtenaar en het Hof verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of de gemeente haar beleidsvrijheid op grond van artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet had overschreden door niet de maximale vermindering van ƒ 100 toe te passen en door een deel van de middelen aan minimabeleid te besteden. Uit de parlementaire geschiedenis bleek dat de wetgever gemeenten een zekere beleidsvrijheid wilde geven, waaronder het toestaan van een lager bedrag dan ƒ 100 en het gebruik van middelen voor een gemeentelijk minimafonds.

De Hoge Raad oordeelde dat de gemeente binnen de wettelijke kaders was gebleven en dat het Hof het juiste oordeel had gegeven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Hoge Raad zag geen reden om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 9 april 2004.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de gemeente binnen haar beleidsvrijheid is gebleven.

Uitspraak

Nr. 38.455
9 april 2004
az
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juli 2002, nr. 00/01117, betreffende na te melden aanslagen.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2000 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de afvalstoffenheffing, in de rioolrechten en in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Doetinchem opgelegd, waarbij een vermindering van ƒ 90 is toegepast in verband met het bepaalde in artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet (tekst 2000), welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de gemeente Doetinchem (hierna: de gemeente), door in 2000 per belastingplichtige een korting van ƒ 90 te verlenen op de onroerendezaakbelastingen, alsmede een bedrag van ƒ 90 uit te keren per huishouding van bejaarden die niet in de onroerendezaakbelastingen worden betrokken, en daarnaast uit de in het kader van de lokale lastenverlichting ter beschikking gestelde fondsen ƒ 10 per huishouding in de gemeente aan gericht minimabeleid te besteden, is gebleven binnen de ruimte die in de Gemeentewet wordt gegeven.
3.2. Het middel bestrijdt het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof en voert daartoe aan dat de belastingvermindering ƒ 100 dient te bedragen in plaats van ƒ 90, omdat de gemeentelijke beleidsvrijheid beperkt is in dier voege dat gemeenten volgens de parlementaire geschiedenis van wetsvoorstel 26 412 slechts zouden kunnen kiezen tussen vermindering van het belastingbedrag met de belastingvermindering of het uitkeren van de lastenverlichting via verdiscontering in het tarief; het uitkeren van de lastenverlichting door fondsen ter beschikking te stellen voor gericht minimabeleid, is volgens het middel niet een geoorloofde methode van aanwending van de voor lokale lastenverlichting ter beschikking gestelde fondsen.
3.3. In artikel 6a, lid 1, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2000 van de gemeente Doetinchem, is het volgende bepaald:
'Het bedrag van de belasting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, wordt voor het gebruik van onroerende zaken, steeds voorzover het betreft zaken die geheel of gedeeltelijk tot woning dienen, verminderd met een bedrag van ƒ 90.'
3.4. Ingevolge artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet (tekst 2000; hierna: de Wet) kan de raad bepalen dat het daarin nader omschreven belastingbedrag "wordt verminderd met ten hoogste ƒ 100". De tekst van de Wet staat er dus niet aan in de weg dat de belastingvermindering op een lager bedrag dan ƒ 100 wordt gesteld. Voorts blijkt uit de geschiedenis van dit wetsartikel dat de wetgever gemeenten heeft willen toestaan om een gedeelte van de zogenoemde, door het Rijk aan de gemeenten ter beschikking gestelde, Zalmsnipgelden te doteren aan een gemeentelijk minimafonds. Inzake die beleidsvrijheid heeft de regering naar aanleiding van vragen uit de Eerste Kamer verklaard (Kamerstukken I, 1999/2000, 26 412, nr. 4a, blz. 2):
'Daarnaast heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangegeven dat als blijkt dat een gemeente de lastenverlichting uitvoert in strijd met het rijksbeleid dit besluit als ultimum remedium zal worden voorgedragen voor spontane vernietiging (artikel 268 van Pro de Gemeentewet). Hij heeft aangegeven dat er naar zijn mening sprake is van strijdigheid met het rijksbeleid als een gemeente de lastenverlichting uitsluitend aanwendt als algemeen dekkingsmiddel of uitsluitend ten behoeve van minimabeleid. Het model waarbij ƒ 75,- wordt uitgekeerd aan ieder gezinshuishouden en de overige gelden worden ingezet voor gericht minimabeleid, valt volgens de regering nog net binnen de bedoeling van de wetgever.'
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene is de onder 3.3 geciteerde bepaling niet strijdig met de tekst van de Wet en evenmin met de bedoeling van de wetgever. 's Hofs oordeel is juist. Derhalve faalt het middel.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos, als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2004.