ECLI:NL:HR:2004:AO8231
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat verkoop aandelen via tussenpersonen geen winst uit aanmerkelijk belang is
Belanghebbenden waren in 1996 in dienst van een vennootschap onder firma (Vof) waarvan de vennoten B.V.'s waren, gehouden door een hypotheekbank. Zij adviseerden de bank de aandelen in de B.V.'s te verkopen en vonden een koper, waarna zij de aandelen voor een lagere prijs kochten en direct doorverkochten aan de koper, waarbij zij een voordeel realiseerden.
De Inspecteur kwalificeerde dit voordeel als inkomsten uit dienstbetrekking, terwijl belanghebbenden dit aangaven als winst uit aanmerkelijk belang. Het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbenden slechts als tussenpersonen optraden zonder economisch belang bij de aandelen en verklaarde hun beroepen ongegrond.
In cassatie betoogden belanghebbenden dat zij wel degelijk economisch belang hadden en geen tussenpersonen waren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel over het ontbreken van economisch belang een waardering van feitelijke aard betrof die niet in cassatie kan worden getoetst.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee blijft de kwalificatie van het voordeel als inkomsten uit dienstbetrekking gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat belanghebbenden geen winst uit aanmerkelijk belang genoten blijft gehandhaafd.