ECLI:NL:HR:2004:AO8364
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over redelijke termijn en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het hof had vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar oordeelde dat deze overschrijding niet ernstig genoeg was om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. In plaats daarvan werd rekening gehouden met de termijnoverschrijding door het te betalen bedrag met 10% te verlagen. De Hoge Raad bevestigde deze benadering en benadrukte dat in ontnemingszaken overschrijding van de redelijke termijn in de regel leidt tot vermindering van het bedrag en slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de vervangende hechtenis die door het hof was opgelegd onterecht was, omdat volgens de wetgeving die op deze zaak van toepassing is (art. 577c Sv) vervangende hechtenis niet kan worden opgelegd in dergelijke ontnemingszaken. De Hoge Raad vernietigde daarom dat deel van de uitspraak.
Uiteindelijk werd het beroep van de betrokkene grotendeels verworpen, maar de oplegging van vervangende hechtenis werd vernietigd. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging tussen het belang van de gemeenschap bij normhandhaving en het belang van de betrokkene bij een tijdige berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de oplegging van vervangende hechtenis en bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn leidt tot vermindering van het te betalen bedrag, niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM.