ECLI:NL:HR:2004:AO8556

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/177HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • E.J. Numann
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging en herziening betalingsverplichting in faillissementszaak

In deze zaak stond een betalingsvordering centraal die eiser moest voldoen aan de curator van de failliete partij. Na eerdere procedures werd eiser door de rechtbank veroordeeld tot betaling van ƒ 190.227,98 met rente. Het gerechtshof vernietigde dit vonnis gedeeltelijk en stelde de betalingsverplichting vast op € 69.840,40 met rente, waarbij het arrest uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Eiser stelde hiertegen cassatieberoep in, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van de curator nihil werden begroot. De curator was niet verschenen en verstek was verleend.

Deze uitspraak bevestigt de herziening van de oorspronkelijke betalingsverplichting in het faillissement en onderstreept het belang van de cassatieprocedure als toetsingsmiddel voor rechtsontwikkeling en rechtseenheid.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof blijft ongewijzigd.

Uitspraak

18 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/177HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
Mr. Jan Willem PIETERS. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1],
wonende te Geleen,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en de inmiddels gefaillieerde verweerder in cassatie - verder te noemen: [betrokkene 1] - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 6 november 1992, nr. 14.765. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het beroep verworpen tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 maart 1991, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 28 september 1989 heeft bekrachtigd en de zaak naar die rechtbank heeft teruggewezen ter verdere afdoening.
Bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 14 maart 1996 is [betrokkene 1] voornoemd in staat van faillissement verklaard met benoeming van thans verweerder in cassatie tot curator. De curator heeft het geding overgenomen.
Na enquête en contra-enquête ingevolge voormeld vonnis van de rechtbank te Maastricht van 28 september 1989 heeft die rechtbank bij vonnis van 17 mei 2001 [eiser] veroordeeld om aan de curator te betalen een bedrag van ƒ 190.227,98 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli 1987 tot aan de dag van de algehele voldoening, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het vonnis van 17 mei 2001 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 20 februari 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd, voor zover daarbij in het dictum een bedrag van ƒ 190.227,98 is toegewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 69.840,40, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli 1987 tot de dag van de voldoening, dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het vonnis voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen curator is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2004.