ECLI:NL:HR:2004:AO8706
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens tussentijds beroep na arbeidsongeschiktheidsschade
In deze zaak vordert [verweerder] schadevergoeding van Woudsend naar aanleiding van een aanrijding in 1978 in België waarbij hij arbeidsongeschikt raakte. Woudsend erkende aansprakelijkheid, maar betwistte de omvang van de schade en de periode van arbeidsongeschiktheid. Na diverse tussenvonnissen, deskundigenonderzoeken en hoger beroepen, oordeelde het hof dat [verweerder] voor 100% arbeidsongeschikt was voor zijn functie tot aan zijn pensioenleeftijd, tenzij Woudsend tegenbewijs leverde.
Woudsend stelde cassatieberoep in tegen arresten van het hof die na 1 januari 2002 waren gewezen. De Hoge Raad onderzocht of het arrest van 18 december 2002 als eindarrest kon worden beschouwd, wat cassatie mogelijk zou maken, dan wel als tussenarrest, waartegen cassatie slechts samen met het eindarrest mogelijk is.
De Hoge Raad oordeelde dat het arrest geen definitieve beslissing over de hoofdzaak bevat en daarom een tussenarrest is. Ook het verzoek van Woudsend tot deskundigenbericht en medewerking van [verweerder] werd niet als voorlopige voorziening aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde de strikte toepassing van art. 401a Rv en verwierp de door Woudsend bepleite uitzondering, mede vanwege rechtszekerheid en proceseconomie.
Hierdoor werd Woudsend niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep en veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil werden begroot aan de zijde van [verweerder].
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart Woudsend niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen tussenvonnissen en arresten van het hof.