ECLI:NL:HR:2004:AO8819

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02287/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 SvArt. 434 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken vordering A-G in cassatiestukken

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte in hoger beroep vrijgesproken van diefstal en veroordeeld voor opzetheling tot vier maanden gevangenisstraf. De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De verdediging klaagde dat de vordering van de Advocaat-Generaal ontbrak in de aan de raadsman toegezonden stukken, wat volgens hen het onderzoek ter terechtzitting nietig zou maken.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht geen middel van cassatie vormt omdat zij zich niet richt tegen een rechterlijke handeling in de zin van art. 78 Sv Pro. Bovendien was het cassatieberoep niet tijdig ingediend met een schriftuur houdende middelen van cassatie, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk is in het beroep.

De Hoge Raad benadrukte dat indien de strafadministratie of griffier verzuimt om tijdig stukken toe te zenden, de raadsman op verzoek door de rolrechter alsnog een termijn kan worden gegund om aanvullende middelen in te dienen, mits tijdig verzocht. In dit geval was echter niet gebleken dat de raadsman zich in cassatie had gesteld of stukken had opgevraagd.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en wees het af zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

15 juni 2004
Strafkamer
nr. 02287/03
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 november 2001, nummer 23/003515-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht" te Nieuwegein.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 24 juni 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 2 en 3 subsidiair "opzetheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, met teruggave zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. De schriftuur bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt nu de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof zich niet bevindt bij de aan de raadsman van de verdachte toegezonden stukken.
3.2. Die klacht keert zich niet tegen een handeling of beslissing van een rechter als bedoeld in art. 78, eerste lid, RO noch kan zij daarmee op één lijn worden gesteld. De klacht behelst dus geen middel van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv (vlg. HR 4 juli 2000, NJ 2000, 581).
3.3. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3.4. De Hoge Raad tekent daarbij nog het volgende aan. Het verzuim van de strafadministratie van de Hoge Raad om tijdig aan de raadsman afschrift van de kernstukken - de uitspraken en de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep - en andere afzonderlijk gevraagde afschriften (zoals van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie) toe te sturen zal, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen, kunnen meebrengen dat de raadsman op diens verzoek door de rolrechter alsnog een termijn wordt gegund om zonodig een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken. De toewijzing van een dergelijk verzoek zal afhangen van het tijdstip waarop het verzoek vóór het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv vermelde termijn redelijkerwijs kon worden gedaan, omdat van de verdediging mag worden verlangd dat zij tijdig een verzuim als hier bedoeld ontdekt (vgl. HR 4 december 2001, LJN AD5183). Het vorenoverwogene geldt ook indien het gaat om het verzuim van de griffier van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, om een stuk als deel uitmakend van de gedingstukken op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de griffier van de Hoge Raad te zenden (vgl. HR 14 november 2000, LJN AA8296).
3.5. De Hoge Raad merkt op dat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de raadsman zich in cassatie heeft gesteld dan wel aan de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzocht om toezending van enig gedingstuk, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van een verzuim als hiervoor onder 3.4 bedoeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 juni 2004.