ECLI:NL:HR:2004:AO9022

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38650
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 letter b Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over bestemmingswijzigingswinst bij bouw woning op landbouwgrond

Belanghebbende, die in 1996 een agrarisch bedrijf uitoefende in maatschapsverband met zijn zoon, verkocht een perceel bouwterrein van 500 m² op een nieuwe locatie aan zijn zoon. Op dit perceel bouwde de zoon een woning die dienstbaar was aan het landbouwbedrijf, waarbij de bouwvergunning was verbonden aan het bestaan van een volwaardig agrarisch bedrijf.

Het hof oordeelde dat het perceel niet buiten het kader van het landbouwbedrijf zou worden gebruikt, omdat het perceel de ondergrond van de bedrijfswoning vormde. De Inspecteur handhaafde echter een aanslag inkomstenbelasting die was gebaseerd op bestemmingswijzigingswinst.

De Hoge Raad stelt vast dat volgens artikel 8, lid 1, letter b, Wet IB 1964, het bouwen van een woning op landbouwgrond deze grond onttrekt aan het gebruik voor landbouw, ook als het een bedrijfswoning betreft. De omstandigheid dat de woning dienstbaar is aan het bedrijf doet hier niet aan af.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verklaart het beroep van de Inspecteur gegrond, waardoor het beroep tegen de aanslag ongegrond wordt verklaard. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof wordt vernietigd.

Uitspraak

Nr. 38.650
7 mei 2004
AF
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juni 2002, nr. 99/00866, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.947, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende oefende gedurende het jaar 1996 in maatschapsverband met zijn zoon een agrarisch bedrijf uit. In het jaar 2000 is de maatschap ontbonden en is het bedrijf alleen door de zoon voortgezet. Het bedrijf is van de oorspronkelijke locatie uitgebreid naar een andere locatie (hierna: de nieuwe locatie) waar een ligboxenstal en loods zijn gebouwd. De afstand tussen de locaties bedraagt 2 kilometer. Deze afstand is te groot om direct toezicht te kunnen houden op het in de stal aanwezige vee. Belanghebbende heeft op 25 oktober 1996 een perceel bouwterrein van 500m² (hierna: het perceel), voorheen in gebruik als cultuurgrond en gelegen op de nieuwe locatie, aan de zoon verkocht voor een prijs van ƒ 25.000. De zoon heeft op dit perceel grond een woning gebouwd. De afgifte van de bouwvergunning voor de woning vloeit voort uit het bestemmingsplan. Aan de bouwvergunning is verbonden de voorwaarde dat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. De woning en de ondergrond van de woning worden door de zoon tot zijn privé-vermogen gerekend. Het is de bedoeling dat het bedrijf in de toekomst alleen nog op de nieuwe locatie wordt uitgeoefend. Belanghebbendes woning is gelegen op de oorspronkelijke locatie.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het perceel niet voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend. Slechts de bestemming van het perceel wordt gewijzigd van agrarische grond in een bouwperceel ten behoeve van de bouw van een aan het bedrijf dienstbare woning. Dit houdt naar het oordeel van het Hof voor de toepassing van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in dat het perceel voortaan als ondergrond van de bedrijfswoning in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend.
3.3. Bij de beoordeling van het tegen voormelde oordelen gerichte middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze bepaling sinds 1 april 1986 luidt, op de bij een landbouwbedrijf behorende grond, hetzij op het bestaande agrarische bouwperceel, hetzij op daarbuiten gelegen grond, een woning wordt gebouwd, wordt het perceel door de bouw onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend (vgl. HR 7 mei 1997, nr. 32097, BNB 1997/236). Hieraan doet niet af de omstandigheid dat het perceel de ondergrond vormt van een aan het bedrijf dienstbare woning of dat de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf.
3.4. Uit het hiervoor in 3.3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2004.