ECLI:NL:HR:2004:AO9024

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39116
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 letter b Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat bouw eerste bedrijfswoning op landbouwgrond leidt tot bestemmingswijzigingswinst

Belanghebbende, samen met zijn broer eigenaar van landbouwgrond, bouwde op een deel van die grond een eerste bedrijfswoning. De grond werd door de bouw onttrokken aan het landbouwgebruik, ondanks dat de woning dienstbaar is aan het landbouwbedrijf en de ondernemer nabij zijn bedrijf woont.

De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premies op die na bezwaar en beroep bij het Hof werden gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat het perceel niet meer dienstbaar was aan landbouwgebruik, omdat niet was gesteld of gebleken dat de bedrijfsvoering vereiste dat de ondernemer nabij het bedrijf woonde.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat onder artikel 8 lid 1 letter Pro b Wet IB 1964 de bouw van een woning op landbouwgrond leidt tot onttrekking van die grond aan landbouwgebruik in eigenlijke zin. Dit oordeel betekent dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en het beroep ongegrond is verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 39.116
7 mei 2004
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 september 2002, nr. P 01/03201, betreffende na te melden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1. Aanslagen, bezwaren en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.457 respectievelijk naar een premie-inkomen van ƒ 78.634, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende drijft in firmaverband met zijn broer een agrarische onderneming. De firmanten zijn sinds 1987 gezamenlijk eigenaar van een perceel grond. Deze grond behoort tot hun ondernemingsvermogen. Volgens het geldende bestemmingsplan is dit perceel bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken, waarbij per agrarisch bebouwingsvlak één agrarische bedrijfswoning is toegestaan. Bij notariële akte van 23 december 1997 is de bestaande onverdeeldheid van het perceel voor een gedeelte daarvan opgeheven en is dat gedeelte toebedeeld aan de broer van belanghebbende. Daarbij hebben de firmanten aan dit gedeelte een waarde toegekend van ƒ 15.000, zodat de broer ƒ 7.500 aan belanghebbende diende te betalen. De broer heeft het hiervoor bedoelde gedeelte van het perceel per gelijke datum overgebracht naar zijn privé-vermogen. De broer heeft, na de verkrijging van de benodigde bouwvergunning, op dit gedeelte van het perceel een zogenoemde eerste bedrijfswoning laten bouwen. Met dagtekening 26 september 2000 is het aan belanghebbendes broer toegedeelde perceel (het onderhavige perceel) getaxeerd door een waarde-onderzoeker bij de Belastingdienst R Ondernemingen. Het taxatieverslag luidt onder meer als volgt:
"Het betreft hier perceel grond, waarop een agrarische bedrijfswoning is gebouwd, voor welke woning een bouwvergunning is afgegeven op 25 februari 1998(...)
Per 30 april 1998 stel ik voor deze 500m2 grond de waarde onbebouwd op f.6.50 p/m2 oftewel f.3.250,-- en als perceel t.b.v. agrarische bedrijfswoning f.60.000,--."
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet in zijn algemeenheid zo is dat de grond waarop een eerste bedrijfswoning is gebouwd, dienstbaar blijft aan het gebruik ten behoeve van landbouw in eigenlijke zin, maar dat daarvan onder omstandigheden wel sprake kan zijn, bijvoorbeeld indien de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat dergelijke omstandigheden niet zijn gesteld en ook niet gebleken en heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het onderhavige perceel buiten de uitoefening van een landbouwbedrijf wordt aangewend.
3.3. Bij de beoordeling van het tegen voormelde oordelen gerichte middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze bepaling sinds 1 april 1986 luidt, op de bij een landbouwbedrijf behorende grond, hetzij op het bestaande agrarische bouwperceel, hetzij op daarbuiten gelegen grond, een woning wordt gebouwd, wordt het perceel door de bouw onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend (vgl. HR 7 mei 1997, nr. 32097, BNB 1997/236). Hieraan doet niet af de omstandigheid dat het perceel de ondergrond vormt van een aan het bedrijf dienstbare woning of dat de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat het middel faalt.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2004.