ECLI:NL:HR:2004:AO9555

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/147HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens tekortschieten in nakoming dading

In deze civiele zaak vorderden eisers tot cassatie betaling van een bedrag van ƒ 500.000,-- wegens vermeend tekortschieten in de nakoming van een dadingsovereenkomst gesloten op 31 maart 1993. De rechtbank wees de vordering grotendeels af en veroordeelde eisers tot betaling van ƒ 100.000,-- plus wettelijke rente. Tegen deze vonnissen en een tussenvonnis werd hoger beroep ingesteld door beide partijen. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigde de vonnissen en wees het meer gevorderde af.

Eisers stelden vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, mede gelet op artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie.

De procedure kenmerkte zich door een deskundigenonderzoek en meerdere tussen- en eindvonnissen. De zaak betrof een complexe civielrechtelijke discussie over de nakoming van een dading en de vaststelling van schadevergoeding. De Hoge Raad bevestigde de eerdere beslissingen zonder inhoudelijke beoordeling van de klachten, waarmee de uitspraak van het hof definitief werd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

10 september 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/147HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
2. [Eiser 2],
3. [Eiser 3],
gevestigd, resp. wonende te [plaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
de gezamenlijke erfgenamen van [aanvankelijk verweerder],
laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mrs. B. Winters en H.J.A. Knijff.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Aanvankelijk verweerder] - heeft bij exploot van 24 januari 1996 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en - na wijziging van eis bij conclusie van repliek - gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s., hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [aanvankelijk verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 500.000,--, met daarover de verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans [eiser] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [aanvankelijk verweerder] te voldoen de door hem geleden schade die het gevolg is van het door hen toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de op 31 maart 1993 ten overstaan van de in het petitum genoemde notaris overeengekomen dading, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voorts met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van het geding, die van de beslaglegging daaronder begrepen.
[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden en zich tegen de vermeerdering van eis verzet.
De rechtbank heeft bij rolbeschikking van 10 oktober 1996 het verzet tegen de vermeerdering van eis afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.
Bij tussenvonnis van 15 mei 1997 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundigen en een aantal vragen geformuleerd en bij tussenvonnis van 4 september 1997 een deskundigenonderzoek bevolen en een deskundige benoemd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 25 februari 1999 [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [aanvankelijk verweerder] van een bedrag van ƒ 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van betaling, [eiser] c.s. veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [aanvankelijk verweerder], die van de beslaglegging daaronder begrepen, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 15 mei 1997 en 25 februari 1999 hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De erven [aanvankelijk verweerder], de gezamenlijke erfgenamen die na het overlijden van [aanvankelijk verweerder] de procedure hebben overgenomen, hebben tegen de drie hiervoor vermelde vonnissen incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 27 maart 2001 heeft het hof de erven [aanvankelijk verweerder] tot bewijs en [eiser] c.s. tot tegenbewijs toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 17 december 2002 op het principaal en incidenteel appel de vonnissen van 15 mei 1997, 4 september 1997 en 25 februari 1999 van de rechtbank te Roermond bekrachtigd, dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De erven [aanvankelijk verweerder] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de erven [aanvankelijk verweerder] namens mr. H.J.A. Knijff door mr. F.M. Schlatmann, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven [aanvankelijk verweerder] begroot op € 996,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 september 2004.