ECLI:NL:HR:2004:AO9560
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Nietigheid beslissing benadeelde partij wegens schending hoor en wederhoor in hoger beroep
In deze strafzaak oordeelt de Hoge Raad dat de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep. De vordering was in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard, maar werd in hoger beroep toegewezen zonder dat de verdachte schriftelijk op de hoogte was gesteld van de voeging van de benadeelde partij, zoals voorgeschreven in art. 51f, tweede lid, Sv.
Het proces-verbaal van de terechtzitting toont niet aan dat de vordering van de benadeelde partij aan de orde is gekomen, noch dat de verdachte hierover is gehoord. Dit leidt tot schending van het beginsel van hoor en wederhoor, een fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde behandeling met inachtneming van de juiste procedure. Het overige beroep wordt verworpen.
De zaak betreft een veroordeling voor diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij het Hof een geldboete en een voorwaardelijke hechtenis oplegde. De uitspraak benadrukt het belang van correcte mededeling aan verdachte bij voeging van een benadeelde partij in hoger beroep.
Uitkomst: De beslissing op de vordering van de benadeelde partij wordt vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.