ECLI:NL:HR:2004:AO9915
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt procedurele rechtmatigheid ondanks verzuim in toelichting benadeelde partij
In deze strafzaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte werd vrijgesproken van meerdere tenlasteleggingen en veroordeeld tot onbetaalde arbeid als straf. De benadeelde partij had een vordering ingediend die door het hof werd afgewezen.
De kern van het cassatieberoep betrof een procedureel verzuim: de benadeelde partij werd niet in de gelegenheid gesteld om na het requisitoir van de Advocaat-Generaal te reageren op diens standpunt over de vordering, terwijl artikel 334, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dit vereist. Uit het proces-verbaal bleek dat de vordering van de benadeelde partij vóór het requisitoir was toegelicht, maar niet daarna.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel de wet vereist dat de benadeelde partij na het requisitoir de gelegenheid krijgt tot toelichting en reactie, in dit geval het verzuim niet tot cassatie leidt. Dit omdat de benadeelde partij werd bijgestaan door een raadsman die de vordering had toegelicht en na het requisitoir geen behoefte had geuit om nader te reageren. Het cassatiemiddel werd daarom verworpen, evenals het beroep van verdachte.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van hoor en wederhoor, maar stelde ook dat het ontbreken van een reactie na het requisitoir niet altijd leidt tot nietigheid indien de partij adequaat vertegenwoordigd is en geen nadere toelichting wenst. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 7 september 2004.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; het verzuim leidt niet tot nietigheid.