ECLI:NL:HR:2004:AP0229

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39269
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over autokostenforfait en bewijsaanbod in inkomstenbelastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Tegen de uitspraak van de inspecteur kwam belanghebbende in beroep bij het hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde dat de werkgeefster alle autokosten voor haar rekening nam en deed een bewijsaanbod met getuigen die dit zouden bevestigen. Het hof passeerde dit bewijsaanbod omdat het van oordeel was dat het autokostenforfait niet van toepassing was en dat het bewijs geen ander oordeel zou opleveren.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn overwegingen en onduidelijk is of het hof de stelling van belanghebbende juist heeft geïnterpreteerd. Indien de stelling juist is, is het autokostenforfait wel van toepassing. Het hof heeft het bewijsaanbod daarom onjuist gepasseerd of onvoldoende gemotiveerd geweigerd. Hierdoor voldoet het arrest niet aan de wettelijke motiveringseisen.

De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het hof voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 39.269
28 mei 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 december 2002, nr. BK-01/01434, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 101.331.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte het aanbod van belanghebbende tot het leveren van getuigenbewijs heeft gepasseerd.
3.2. In zijn beroepschrift voor het Hof heeft belanghebbende gesteld: 'dat tussen werkgeefster en X een overeenkomst is gesloten waarbij werkgeefster alle kosten voor haar rekening neemt onder verrekening van een bijdrage voor het privé gebruik van de auto door X'. Voorts heeft belanghebbende uitdrukkelijk een aanbod gedaan tot het leveren van getuigenbewijs. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof zouden de getuigen volgens belanghebbende 'de feiten die in de stukken van de zijde van belanghebbende worden gesteld, bevestigen'. Dit een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat het aanbod van getuigenbewijs zich ook uitstrekte tot evenvermelde stelling van belanghebbende. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende nader die stelling heeft verlaten dan wel zijn aanbod van getuigenbewijs niet meer op die stelling heeft betrokken.
3.3. Het Hof heeft het aanbod van getuigenbewijs gepasseerd. Het heeft daartoe overwogen dat het, uitgaande van de juistheid van de gestelde feiten, niet tot een ander oordeel zou komen onder meer inzake de in geschil zijnde vraag of het autokostenforfait van artikel 42 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van toepassing is, welke vraag het Hof ontkennend heeft beantwoord.
3.4. Aldus heeft het Hof geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven. Niet duidelijk is of de hiervoor in 3.2 vermelde stelling van belanghebbende naar het oordeel van het Hof mede inhield dat tot de door de werkgeefster voor haar rekening te nemen autokosten ook behoren de lasten en afschrijvingen ter zake van de auto. Indien die stelling aldus moet worden opgevat en juist is, zou, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het autokostenforfait van artikel 42 van Pro de Wet van toepassing zijn. Immers, doordat - bij dat uitgangspunt - de werkgeefster zich jegens de werknemer zou hebben verbonden alle door hem gemaakte autokosten (in deze ruime zin) onder verrekening van een bijdrage voor privé-gebruik voor haar rekening te nemen, zou belanghebbende in zoverre op één lijn staan met een werknemer aan wie een personenauto ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 42, lid 3, van de Wet (HR 19 oktober 1983, nr. 22014, BNB 1984/15, en HR 20 november 1991, nr. 27782, BNB 1992/32). Indien het Hof dit heeft miskend, berust zijn beslissing tot passeren van het bewijsaanbod op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, berust die beslissing hetzij op een voorbijgaan aan de mogelijkheid dat de hier bedoelde stelling moet worden opgevat zoals hiervoor vermeld - welke beslissing evenwel nadere motivering behoeft - hetzij op een te beperkte uitleg van het aanbod van getuigenbewijs. Aldus is 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In zoverre treft het middel doel.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het middel behoeft verder geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60), en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2004.