ECLI:NL:HR:2004:AP1874
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Vrijval pensioenverplichting valt niet onder opbrengsten van bezittingen volgens artikel 29a lid 5 Wet IB 1964
In deze zaak stond centraal de vraag of de vrijval van een pensioenverplichting bij een vennootschap die tot dan toe pensioenuitkeringen moest doen, moest worden gerekend tot de opbrengsten van bezittingen als bedoeld in artikel 29a, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De vennootschap, opgericht naar Antilliaans recht en feitelijk gevestigd te Curaçao, had haar pensioenverplichting verloren doordat de erflater en zijn echtgenote in 1994 afstand deden van hun pensioenrechten.
De Inspecteur had de vrijval van deze pensioenverplichting bij de winst van de vennootschap in Nederland belast, maar het Hof had dit oordeel vernietigd en geoordeeld dat de winst uit de vrijval niet tot de opbrengsten van bezittingen behoorde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat artikel 29a van de Wet zich richt tegen het vermijden van inkomstenbelasting via buiten Nederland gevestigde beleggingsvennootschappen en dat alleen winst die is behaald in de periode waarin de vennootschap aan de voorwaarden van artikel 29a voldeed, als opbrengst van bezittingen kan worden beschouwd.
Omdat de vennootschap ten tijde van de vrijval van de pensioenverplichting nog niet voldeed aan deze voorwaarden, kon de winst uit de vrijval niet tot de opbrengsten van bezittingen worden gerekend. Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën werd daarom ongegrond verklaard. De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op en bepaalde het griffierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vrijval van de pensioenverplichting niet tot de opbrengsten van bezittingen behoort.