ECLI:NL:HR:2004:AP1880

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38747
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet IB 1964Art. 81 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek buitengewone lasten kinderopvang en drempelbedragen in inkomstenbelasting 1999

Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen op een belastbaar inkomen van ƒ 163.015, waarbij de aftrek van buitengewone lasten voor kinderopvang door de Inspecteur werd beperkt op grond van wettelijke drempels en maxima. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende cassatie in tegen deze uitspraak.

Het geschil betrof de toepassing van artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met name de vraag of belanghebbende de kosten van kinderopvang voor zijn kinderen correct had kunnen aftrekken, waarbij hij stelde dat zijn situatie gelijk moest worden behandeld aan andere gevallen met een andere verdeling van opvangdagen.

De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende onjuiste vergelijkingen maakte met niet-gelijkwaardige situaties en bevestigde dat de door het Hof toegepaste drempel en het maximumbedrag voor aftrek terecht waren toegepast. Middelen die geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten, werden verworpen zonder nadere motivering.

Proceskosten werden niet toegewezen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraak van het Hof stand hield.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.747
18 juni 2004
BK
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juni 2002, nr. BK-01/02364, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 163.015, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is gehuwd. Hij heeft in 1999 een loon van ƒ 212.306 genoten. Zijn echtgenote heeft in 1999 een loon van ƒ 96.841 genoten. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, B, geboren in 1996, en C, geboren in 1999. Voor B is het gehele jaar 1999 gebruik gemaakt van acht dagdelen kinderopvang per week. Voor C is gedurende één maand gebruik gemaakt van kinderopvang, eveneens voor acht dagdelen per week.
3.2. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte een bedrag van ƒ 7.968 (kosten ƒ 18.624 minus drempel van ƒ 10.656) voor B en een bedrag van ƒ 1.285 (kosten ƒ 1.552 minus drempel van ƒ 267) voor C aan buitengewone lasten ter zake van kinderopvang vermeld.
De Inspecteur heeft de buitengewonelastenaftrek voor B berekend op ƒ 397 (het maximumbedrag aan aftrekbare kosten voor kinderopvang per kind van ƒ 11.053 minus drempel van ƒ 10.656) en het belastbare inkomen verhoogd met ƒ 7.571 tot ƒ 163.015.
Het Hof heeft het beroep van belanghebbende tegen die, na bezwaar gehandhaafde, correctie verworpen.
3.3. Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (HR 12 juli 2002, nr. 36254, BNB 2002/400).
3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat het belanghebbende niet vrij staat om minder dan vier vijfde deel van het in de tabel aangegeven drempelbedrag in aanmerking te nemen. Dit oordeel is, in aanmerking genomen dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat belanghebbende voor het betrokken kind op vier dagen per week beroepsmatige kinderopvang placht te genieten, juist. Daaruit volgt dat de door belanghebbende voor het Hof ingenomen meer subsidiaire stelling, die ervan uitgaat dat als belanghebbende niet de in feite betaalde uitgaven voor vier dagen kinderopvang per week in aftrek zou brengen, maar slechts uitgaven voor 2,5 dag per week, bij de berekening van de aftrek de drempel slechts voor 2,5/5 in aanmerking zou komen, onhoudbaar is. Middel 2 faalt derhalve.
3.5. Belanghebbende herhaalt in middel 3 zijn voor het Hof reeds gehouden betoog dat er geen verschil mag zijn tussen enerzijds zijn situatie, waarin hij zijn kind acht dagdelen in een aangewezen beroepsmatige crèche plaatst, en anderzijds de situatie waarin een kind voor vijf dagdelen in een aangewezen en voor drie dagdelen in een niet-aangewezen crèche en/of bij een andere oppas wordt ondergebracht.
Aldus vergelijkt belanghebbende zijn geval met gevallen die niet aan dat van hem gelijk zijn. Zijn betoog gaat daarom niet op. In zoverre faalt middel 3.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2004.