ECLI:NL:HR:2004:AP1888

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38937
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BWArt. 3:168 BWArt. 3:37 BWSuccessiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling regeling in nalatenschap voor successierecht volgens artikel 3:172 BW

Belanghebbende kreeg een aanslag successierecht opgelegd naar aanleiding van de verkrijging uit de nalatenschap van haar moeder, overleden in 1998. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Arnhem. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, stelde de belaste verkrijging lager vast en verminderde de aanslag.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof artikel 3:172 BW Pro had geschonden door te oordelen dat een regeling kan worden afgeleid uit gedragingen, terwijl volgens haar een actieve rol van partijen vereist is. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat een regeling ook kan bestaan uit gedragingen die een overeenkomst tot stand brengen, conform artikel 3:37 BW Pro.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de waardering van feitelijke aard niet in cassatie kan worden getoetst. Klachten over verklaringen die belanghebbende na het overlijden van haar moeder aan zichzelf zou hebben gedaan, faalden eveneens.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 18 juni 2004 door de vice-president en raadsheren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.937
18 juni 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 2 september 2002, nr. 00/01665, betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van B, overleden op 14 juni 1998, een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een verkrijging van ƒ 746.063.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de belaste verkrijging vastgesteld op ƒ 726.166 (€ 329.626) en de aanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 118.916 (€ 53.961,73). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie klaagt belanghebbende dat het Hof in 4.2 van zijn uitspraak artikel 3:172 BW Pro heeft geschonden door te oordelen dat het bestaan van een "regeling" als in dat artikel bedoeld, kan worden afgeleid uit gedragingen van partijen. De term "regeling" duidt erop dat een actieve rol van partijen vereist is, aldus belanghebbende.
Dit betoog faalt. Een "regeling" als bedoeld in artikel 3:172 BW Pro is, voor zover hier van belang, het geheel van wat partijen "bij overeenkomst regelen" (artikel 3:168, lid 1, BW). Ingevolge artikel 3:37, lid 1, BW kunnen de (wils)verklaringen die een overeenkomst tot stand brengen in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen, een en ander tenzij anders is bepaald. Een dergelijke andersluidende bepaling ontbreekt in de artikelen 3:168 en 3:172 BW.
3.2. Het oordeel van het Hof dat in dit geval een regeling in de zojuist bedoelde zin is getroffen, geeft gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering en is niet onbegrijpelijk. Voorzover belanghebbende met haar stelling dat door haar in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster onder algemene titel van haar moeder rekening en verantwoording is afgelegd, waarbij de schuld van de moeder aan belanghebbende zou zijn erkend, het tegendeel wil betogen, faalt dat betoog, omdat belanghebbende zich jegens de Inspecteur niet kan beroepen op verklaringen/ gedragingen die zij, na het overlijden van haar wederpartij bij de beweerde regeling, te weten haar moeder, heeft uitgewisseld met zichzelf in haar hoedanigheid van enig rechtsopvolgster onder algemene titel van haar moeder. Ook in zoverre kunnen de klachten niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2004.