ECLI:NL:HR:2004:AP1889

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39101
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228 GemeentewetArt. 229 GemeentewetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing precariobelasting liggeld woonschepen door gemeente Amsterdam

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag precariobelasting opgelegd door de gemeente Amsterdam voor liggeld van woonschepen. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende stelde in cassatie dat liggeld voor woonschepen een recht is volgens artikel 229 van Pro de Gemeentewet en geen belasting of precariobelasting zoals bedoeld in artikel 228. Hierdoor zou de gemeente niet bevoegd zijn om precariobelasting te heffen over ligplaatsen voor woonschepen.

De Hoge Raad oordeelde dat noch de tekst, noch de strekking of ontstaansgeschiedenis van de artikelen 228 en 229 van de Gemeentewet de conclusie rechtvaardigen dat gemeenten uitsluitend rechten kunnen heffen op grond van artikel 229 en Pro geen precariobelasting op grond van artikel 228. De klachten faalden en het beroep werd ongegrond verklaard.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 18 juni 2004.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de heffing van precariobelasting voor liggeld woonschepen door de gemeente Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

Nr. 39.101
18 juni 2004
BK
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2002, nr. P01/01193, betreffende na te melden voor het jaar 2000 opgelegde aanslag in de precariobelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de precariobelasting opgelegd ten bedrage van ƒ aa,bb welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam hebben een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Burgemeester en wethouders hebben een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De tweede klacht betoogt dat de wetgever liggeld met betrekking tot woonschepen als een recht in de zin van artikel 229 van Pro de Gemeentewet (hierna: de Wet) aanmerkt en niet als een belasting, ook niet als een precariobelasting in de zin van artikel 228 van Pro de Wet, zodat het de gemeente - anders dan het Hof heeft geoordeeld - niet vrijstaat om ter zake van ligplaatsen voor woonschepen precariobelasting te heffen.
3.2. De klacht faalt. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat noch de tekst van genoemde wetsartikelen noch de strekking of ontstaansgeschiedenis daarvan de conclusie rechtvaardigt dat gemeenten te dezer zake uitsluitend rechten op de grondslag van artikel 229 van Pro de Wet zouden mogen heffen en niet een precariobelasting op de grondslag van artikel 228.
3.3. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2004.