ECLI:NL:HR:2004:AP2257

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02878/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a SvArt. 359a SvArt. 13 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking beroep op verzuimen bij rechtmatigheidstoetsing rechter-commissaris in strafproces

In deze zaak stond centraal of tijdens de terechtzitting in een strafproces beroep kan worden gedaan op verzuimen die zijn gemaakt bij de rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris op grond van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte stelde dat het niet kunnen inzien van stukken met betrekking tot zijn inverzekeringstelling door de rechter-commissaris een schending van het beginsel van equality of arms opleverde.

Het hof verwierp dit verweer en stelde dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken niet toestaat dat bij de behandeling ter terechtzitting opnieuw beroep wordt gedaan op dergelijke verzuimen. Dit om te voorkomen dat het stelsel op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat artikel 13 EVRM Pro niet vereist dat klachten over de rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris aan de zittingsrechter moeten kunnen worden voorgelegd met het oog op artikel 359a Sv.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest benadrukt de binding aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de beperkte mogelijkheden om tijdens de terechtzitting alsnog verzuimen bij de rechter-commissaris aan te voeren.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geen beroep op verzuimen bij de rechtmatigheidstoetsing van de rechter-commissaris tijdens de terechtzitting toestaat.

Uitspraak

7 september 2004
Strafkamer
nr. 02878/03
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 september 2003, nummer 22/002814-02, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 december 2000 - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en haar voorts ter zake van "opzetheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 dagen met bevel tot teruggave zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken eraan in de weg staat dat ter terechtzitting een beroep kan worden gedaan op een schending van het beginsel van equality of arms tijdens de rechtmatigheidstoetsing van art. 59a Sv door de Rechter-Commissaris.
3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Voorts heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte is op grond dat het beginsel van "equality of arms" tijdens de rechtmatigheidstoetsing van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering is geschonden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat, ondanks verzoek van de raadsvrouw de stukken betrekking hebbend op de inverzekeringstelling van de verdachte in te mogen zien, de rechter-commissaris zonder die inzage te verlenen geoordeeld heeft over de rechtmatigheid van de bewaring (de Hoge Raad leest: inverzekeringstelling) van de verdachte.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
In het gesloten rechtsmiddelenstelsel in strafzaken staat tegen het in artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering bedoelde oordeel van de rechter-commissaris geen hogere voorziening open. Dit stelsel zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen zoals door de raadsman van de verdachte naar voren gebracht (zoals door de Hoge Raad overwogen in HR 8 mei 2001, NJ 2001, 587)."
3.3. Tegen de beslissing van de Rechter-Commissaris als bedoeld in art. 59a Sv staat geen rechtsmiddel open.
Het oordeel van het Hof, inhoudende dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij het in art. 59a Sv bedoelde onderzoek van de Rechter-Commissaris, is juist. Anders dan in het middel wordt betoogd, noopt art. 13 EVRM Pro er niet toe dat op dat verdrag gebaseerde klachten met betrekking tot die rechtmatigheidstoetsing aan de zittingsrechter, oordelende in de hoofdzaak, moeten kunnen worden voorgelegd zulks met het oog op de toepassing van één van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen. Het middel faalt in zoverre.
3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 september 2004.