ECLI:NL:HR:2004:AP4380

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39578
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de loonbelasting 1964Art. 23 Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingenArt. 32 Wet op de loonbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitsluiting directeur en enig aandeelhouder van premiespaarregeling en spaarloonregeling

Belanghebbende, een vennootschap waarvan A directeur en enig aandeelhouder is, maakte gebruik van de premiespaarregeling en spaarloonregeling ten behoeve van haar directeur over het jaar 1997. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op, welke na bezwaar werd gehandhaafd. Het Gerechtshof Arnhem verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij het Hof oordeelde dat de directeur en enig aandeelhouder uitgesloten is van deelname aan deze regelingen op grond van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de maatschap waarin zij participeert geen werknemers in dienst had, maar deze klacht werd verworpen omdat werknemers van de maatschap niet als werknemers van belanghebbende kunnen worden beschouwd. De overige klachten werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees het cassatieberoep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de uitsluiting van de directeur en enig aandeelhouder van de premiespaarregeling en spaarloonregeling ongewijzigd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de directeur en enig aandeelhouder is uitgesloten van deelname aan de premiespaarregeling en spaarloonregeling.

Uitspraak

Nr. 39.578
25 juni 2004
JS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 mei 2003, nr. 02/00433, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 1858, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. A is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. Naast haar directeur heeft belanghebbende geen ander personeel in dienst. Belanghebbende is lid van de maatschap B, notarissen te Q.
3.1.2 In het naheffingstijdvak heeft belanghebbende ten behoeve van haar directeur gebruik gemaakt van de premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, lid 6, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet) en van de spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de Wet.
3.2. Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vraag of de directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende door de werking van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling) is uitgesloten van deelname aan de premiespaarregeling en de spaarloonregeling.
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord.
3.3. Voorzover de klachten opkomen tegen 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de maatschap waarin belanghebbende participeert in het naheffingstijdvak werknemers in loondienst heeft gehad, treffen zij doel. De Inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek immers uitdrukkelijk afstand genomen van zijn met dat oordeel overeenstemmende standpunt, zodat tussen partijen niet langer in geschil was dat er bij de maatschap waarin belanghebbende participeerde wel personeel in dienstbetrekking was.
De klachten kunnen evenwel niet tot cassatie leiden. De werknemers die in dienst zijn bij de maatschap waarvan belanghebbende maat is, kunnen voor de toepassing van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling niet geacht worden werknemer te zijn van belanghebbende. Het Hof heeft derhalve, wat er zij van de daarvoor gebezigde gronden, terecht geoordeeld dat de directeur van belanghebbende is uitgesloten van de premiespaarregeling en de spaarloonregeling.
3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2004.