ECLI:NL:HR:2004:AP4382
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering balansgarantie bij deelnemingsvrijstelling in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, was in beroep gegaan tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1996. De Inspecteur had de aanslag gehandhaafd na bezwaar. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 12 juli 2002 waarin is bepaald dat de vordering uit hoofde van een balansgarantie gewaardeerd moet worden naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de verwerving van de deelneming. De waarde is gelijk aan het uiteindelijk betaalde bedrag, tenzij latere ontwikkelingen, zoals een gewijzigde solvabiliteit van de verkoper, een waardeverandering rechtvaardigen. Een waardeverandering na verwerving behoort tot de belastbare winst.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de waarde van de vordering gelijk is aan het uiteindelijk ontvangen bedrag van ƒ 393.786. Het hof heeft voldoende gemotiveerd dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft aangevoerd die een waardedaling na verwerving aannemelijk maken. De middelen van belanghebbende falen en het beroep wordt ongegrond verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en bevestigt het oordeel van het hof zonder verdere wijziging.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de waardering van de balansgarantie wordt bevestigd op het uiteindelijk betaalde bedrag.