ECLI:NL:HR:2004:AP4382

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39888
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Art. 8Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Art. 13
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering balansgarantie bij deelnemingsvrijstelling in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een vennootschap, was in beroep gegaan tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1996. De Inspecteur had de aanslag gehandhaafd na bezwaar. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 12 juli 2002 waarin is bepaald dat de vordering uit hoofde van een balansgarantie gewaardeerd moet worden naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de verwerving van de deelneming. De waarde is gelijk aan het uiteindelijk betaalde bedrag, tenzij latere ontwikkelingen, zoals een gewijzigde solvabiliteit van de verkoper, een waardeverandering rechtvaardigen. Een waardeverandering na verwerving behoort tot de belastbare winst.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de waarde van de vordering gelijk is aan het uiteindelijk ontvangen bedrag van ƒ 393.786. Het hof heeft voldoende gemotiveerd dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft aangevoerd die een waardedaling na verwerving aannemelijk maken. De middelen van belanghebbende falen en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en bevestigt het oordeel van het hof zonder verdere wijziging.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de waardering van de balansgarantie wordt bevestigd op het uiteindelijk betaalde bedrag.

Uitspraak

Nr. 39.888
25 juni 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 mei 2003, nr. 02/03409, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 7.094.929, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. De uitspraak van dit hof van 3 april 2001 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 37136, BNB 2003/61, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4. Beoordeling van de middelen
4.1. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 37136, BNB 2003/61, volgt dat de vordering die een koper uit hoofde van een balansgarantie heeft op een verkoper moet worden gewaardeerd met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de verwerving van de deelneming. Die waarde zal gelijk zijn aan het uiteindelijk betaalde bedrag, tenzij door ontwikkelingen na de verwerving van de deelneming, bijvoorbeeld ten gevolge van een gewijzigde solvabiliteit van de verkoper, de vordering in waarde is veranderd. Een verandering in de waarde van de vordering behoort tot de belastbare winst.
4.2. De middelen falen voorzover zij uitgaan van een andere rechtsregel dan die vermeld in 4.1. De middelen falen ook voor het overige. Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde van de vordering uit hoofde van de balansgarantie ten tijde van de verwerving van de deelneming gesteld moet worden op f 393.786, het uiteindelijk door koper ontvangen bedrag. Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van bewijsmiddelen en is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof is er kennelijk van uitgegaan dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zich eerst na de verwerving van de deelneming hebben voorgedaan en die aannemelijk maken dat de vordering nadien in waarde is gedaald.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2004.