ECLI:NL:HR:2004:AP9646
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.C. van Oven
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitleg studiefinanciering en aftrek studiekosten als buitengewone lasten
Belanghebbende kreeg voor 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van ƒ 26.194, welke na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot ƒ 23.225, omdat het oordeelde dat alleen het recht op een basisbeurs de aftrek van werkelijke studiekosten kan verhinderen.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'recht op studiefinanciering' in artikel 46 lid 10 Wet Pro IB 1964 niet beperkt is tot de basisbeurs, maar ook de rentedragende lening omvat, die sinds 1 september 1998 deel uitmaakt van de studiefinanciering. De parlementaire geschiedenis van de wet van 18 december 1997, waarin de forfaitering van studiekostenaftrek werd ingevoerd, ondersteunt geen beperking tot alleen de basisbeurs.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, verklaarde het beroep van de Staatssecretaris gegrond en verklaarde het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het beroep van de Staatssecretaris gegrond, waardoor de aanslag van de Inspecteur gehandhaafd blijft.