ECLI:NL:HR:2004:AQ0069
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Geen voorhanden hebben van accijnsgoed volgens artikel 2f Wet op de accijns
Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag accijns opgelegd door de Inspecteur. Na meerdere procedures bij verschillende gerechtshoven werd de zaak uiteindelijk aan het Gerechtshof te 's-Gravenhage voorgelegd, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende inzicht had gegeven in haar motivering omtrent het voorhanden hebben van accijnsgoederen. Hoewel belanghebbende betrokken was bij een illegale alcoholstokerij en regie voerde over openingstijden en transport, kon niet worden vastgesteld dat hij feitelijk beschikte over de geproduceerde alcohol. Ook was niet gebleken dat belanghebbende samen met anderen over de goederen kon beschikken.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en de naheffingsaanslag, en wees de zaak niet terug maar deed zelf uitspraak. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat het enkele feit van betrokkenheid bij productie en regie niet voldoende is voor het aannemen van het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van artikel 2f van de Wet op de accijns.
Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns wordt vernietigd omdat belanghebbende niet feitelijk beschikte over de accijnsgoederen.