ECLI:NL:HR:2004:AQ1084

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00204/04 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SvArt. 25 SvArt. 552a SvArt. 447 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid raadkameronderzoek wegens ontbreken oproeping en proces-verbaal

In deze zaak heeft de Hoge Raad een beschikking van de rechtbank te Haarlem vernietigd. De rechtbank had een beklag van klager niet-ontvankelijk verklaard dat strekte tot teruggave van een geldbedrag. Klager stelde in cassatie dat hij en zijn raadsman ten onrechte niet waren opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer en dat er geen proces-verbaal was opgemaakt van het raadkameronderzoek.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de aan hem toegezonden stukken niet bleek dat de raadkamer het onderzoek had gehouden met inachtneming van de vereisten van artikel 23, tweede en vijfde lid, en artikel 25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen schrijven voor dat het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers moeten worden gehoord of opgeroepen, tenzij het onderzoek daardoor ernstig wordt geschaad, en dat van het onderzoek een proces-verbaal moet worden opgemaakt.

Het ontbreken van deze procedurele waarborgen leidt tot nietigheid van het raadkameronderzoek, ook al is die nietigheid niet expliciet in de wet genoemd. De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens niet-naleving van procedurele voorschriften en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

31 augustus 2004
Strafkamer
nr. 00204/04 B
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 31 oktober 2002, nummer RK 02/244, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft niet-ontvankelijk verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat klager en zijn raadsman ten onrechte niet zijn opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift in raadkamer alsmede de klacht dat ten onrechte geen proces-verbaal is opgemaakt van het onderzoek in raadkamer.
3.2. Ingevolge het tweede lid van art. 23 Sv Pro moeten door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Ingevolge het vijfde lid van art. 23 Sv Pro is vorenbedoeld voorschrift niet van toepassing voorzover het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.
Volgens het eerste lid van art. 25 Sv Pro moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en voorts hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Dit artikel bevat tevens voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
3.3. Aangezien de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat met inachtneming van de onder 3.2 vermelde voorschriften een onderzoek door de raadkamer is gehouden, moet worden aangenomen dat dit is verzuimd. Dit verzuim heeft betrekking op een wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure, zodat het nietigheid van het onderzoek moet meebrengen, ook al is deze nietigheid niet met zoveel woorden in de wet bedreigd.
3.4. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het onderhavige klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2004.