3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] c.s. zijn sinds 11 november 1985 woonachtig in België. In januari 1986 hebben zij een in Nederland gelegen onroerende zaak gekocht. Met ingang van 1 december 1994 werd de onroerende zaak verhuurd. In 1995 werd een positief huurresultaat bereikt. Op grond van het belastingverdrag gesloten tussen Nederland en België is Nederland bevoegd over dit resultaat inkomstenbelasting te heffen. Op grond van zijn nationale wetgeving heeft Nederland dit resultaat belast tegen een tarief van 25% (het buitenlandertarief). Indien [eiser] c.s. in Nederland hadden gewoond, zou het tarief 6,15% hebben bedragen.
(ii) De gemachtigde van [eiser] c.s. heeft op 4 oktober 1996 tegen de aan [eiser] c.s. opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing 1995 bezwaar gemaakt en heeft na afwijzing van dit bezwaar door de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven vervolgens op 17 november 1996 een beroepschrift ingediend bij de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hangende de procedure heeft de Inspecteur besloten om alsnog aan het bezwaar van [eiser] c.s. tegemoet te komen.
(iii) Namens [eiser] c.s. is bij brief van 18 augustus 1998 het volgende bericht aan de belastingkamer van het gerechtshof:
"Nu belastingplichtigen derhalve geen belang meer hebben bij de beroepsprocedure geef ik U te kennen dat bovenvermelde beroepschriften worden ingetrokken. Het door de belastingplichtigen betaalde griffierecht kunt u restitueren (...).
Verzoek tot procesonkostenvergoeding
Conform art. 5aa, eerste lid, WARB, doe ik bij de mededeling van intrekking van de beroepschriften tevens het verzoek tot procesonkostenvergoeding. Voor de vaststelling van de procesonkostenvergoeding zijn de door belastingplichtigen de hierna volgende relevante kosten gemaakt.
Aan [betrokkene 1] (de naar buiten toetredende gemachtigde) en [betrokkene 2] (beiden belastingadviseur van beroep) hebben zij in totaal ƒ 6.000 uitbetaald (zie bijlage II). Indertijd was namelijk de afspraak gemaakt dat zij voor de verrichte rechtskundige bijstand (uitpluizing van het Europees recht) en indiening van de gerechtelijke stukken ieder ƒ 3.000 mochten verwachten, onder voorwaarde dat het beroep wel met succes zou moeten worden afgerond (een no-cure no-pay afspraak).
In het kader van het beroep zijn ingediend een beroepschrift en conclusie van repliek, hetgeen een puntentelling geeft van in totaal 1,5. Rekeninghoudend met het bestreden bedrag (1 punt bedraagt ƒ 710) bedraagt de maximale onkostenvergoeding dan ook ƒ 1.065."
Het hof heeft ƒ 1.065,-- toegekend; dat bedrag is hem door de Staat betaald.
(iv) Bij brief van gelijke datum is het ministerie van financiën verzocht als schade wegens onrechtmatige daad te vergoeden ƒ 4.935,--, zijnde ƒ 6.000,-- min ƒ 1.065,--, welk verzoek is afgewezen. Een tweede verzoek is nogmaals afgewezen.
(v) Hangende de procedure voor de kantonrechter heeft de Staat bij brief van 24 november 2000 besloten alsnog de kosten met betrekking tot het bezwaar ten bedrage van ƒ 1.968,75 te vergoeden, omdat uit een brief van [eiser] c.s. van 20 november 2000 was afgeleid dat van het bedrag van ƒ 4.935,-- ook deze kosten met betrekking tot het bezwaar deel uitmaakten.