ECLI:NL:HR:2004:AQ6911
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse bankrekeningen
In deze zaak ging het om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1987 die was opgelegd aan de erven van een erflater. De Inspecteur had een bedrag van ƒ 388.500 aan contante kasopnamen van een buitenlandse bankrekening als inkomen aangemerkt en hierover een navorderingsaanslag opgelegd. Het Hof had het beroep van de erven gegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat sprake was van een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland werd gehouden of was opgekomen, mede omdat de bankrekening werd beheerd vanuit het buitenland. De Hoge Raad oordeelde dat het enkele feit dat het beheer van de rekening vanuit het buitenland plaatsvond onvoldoende is om de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van toepassing te verklaren. De wetgever had specifiek beoogd dat de verlengde termijn geldt bij inkomsten die in het buitenland zijn verkregen of op in Nederland verkregen inkomsten die naar het buitenland zijn overgeboekt.
Het cassatieberoep werd daarom ongegrond verklaard. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van de cassatieprocedure. Hiermee werd bevestigd dat de verlengde navorderingstermijn niet zonder meer van toepassing is op buitenlandse bankrekeningen die slechts vanuit het buitenland worden beheerd, zonder dat sprake is van daadwerkelijk in het buitenland opgekomen inkomen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de verlengde navorderingstermijn is niet van toepassing.